In Trouw is een serie gestart over de actuele situatie rondom kanker. Dit vierde artikel stond 29 juni 2002 geplaatst (bijlage de Verdieping). Voor reacties enz. ga naar www.trouw.nl en schrijf daaraan uw reacties. Op enkele plaatsen hebben wij dit artikel voorzien van commentaar of verwijzingen.

Chirurgie, chemotherapie en bestraling gelden als de successen van de kankergeneeskunde. Maar het zijn ook botte-bijlmethoden met ellendige bijwerkingen. De drie klassiekers stuiten op de grenzen van hun succes. Het genezen van meer kankerpatiënten vergt nieuwe methoden. Sander Becker schetst de perspectieven, vandaag de vierde en laatste aflevering in de Verdieping: gentherapie.

Kanker / De reparatie van het erfelijk materiaal
door Sander Becker
2002-06-29

Mensen krijgen kanker door genetische foutjes in hun lichaamscellen. De oorsprong van de weefselwoekering zit dus in het DNA. Om de ziekte bij de bron aan te pakken, zou je in feite het erfelijk materiaal van de patiënten moeten repareren. 

Artsen speculeren daar al over sinds 1982. Toen ontstond voor het eerst de mogelijkheid om het DNA van cellen te verbeteren met behulp van virussen. Die kunnen in menselijke cellen elk gewenst gen inbouwen. Op die manier kunnen ze een kapot stuk DNA in de gastheer als het ware vervangen: 'gentherapie'. Deskundigen droomden er aanvankelijk van om kankercellen hiermee op te knappen, zodat het normale cellen zouden worden. Dat ambitieuze plan bleek echter al snel onhaalbaar. In kankercellen is gemiddeld 30 procent van het DNA gemankeerd - zo'n ravage, daar is geen beginnen aan.

Kankerspecialisten kregen opnieuw belangstelling voor gentherapie toen ze ontdekten dat je niet per se álle kapotte genen hoeft te herstellen om een kankercel onschadelijk te maken. In veel gevallen zou het voldoende zijn om één cruciaal gen aan te pakken. Vooral genen die betrokken zijn bij de celdeling leken een geslaagd doelwit. Onderzoekers sloegen er driftig mee aan het experimenteren. Dat leverde bevredigende resultaten op, maar alleen in kweekschaaltjes en bij muizen. Patiënten profiteerden er nauwelijks van.

Het probleem is dat de genezende genen niet goed doordringen in de omvangrijke menselijke tumorklompen. De virussen die in het gezwel worden geïnjecteerd, komen doorgaans niet veel verder dan de schacht rondom de naald. Er zijn kortom maar weinig kankercellen die ermee in aanraking komen. Van deze cellen neemt bovendien maar een beperkt deel de aangeboden genen op, waardoor het therapeutische effect gering blijft. Vanwege deze tegenslag hebben veel kankerexperts hun geloof in gentherapie inmiddels definitief verloren.

Dr. S. Rodenhuis, hoogleraar kankergeneeskunde aan de Universiteit van Amsterdam en klinisch directeur van het Nederlands Kanker Instituut / Antoni van Leeuwenhoek-ziekenhuis, zegt het onomwonden: ,,Gentherapie is een hype, die ik hier ter plekke zou willen corrigeren. De bedoeling is dat je bij alle kankercellen van een patiënt het defecte gen vervangt door een gezond gen, maar technisch zijn we daar absoluut nog niet toe in staat. Het zal nog jaren duren voordat we kankerpatiënten met gentherapie kunnen genezen. Persoonlijk denk ik zelfs dat het er nooit van komt.''

Dr. W. Gerritsen, universitair hoofddocent kankergeneeskunde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Gentherapie, is minder somber. ,,Het vroegere optimisme over gentherapie heeft inderdaad plaatsgemaakt voor scepsis. De voorzitter van de Amerikaanse Vereniging voor Gentherapie houdt het erop dat we na een aanvankelijke manische periode terecht zijn gekomen in de depressieve fase. Zelf spreek ik liever van de reële fase. We hebben wel degelijk bewezen dat gentherapie kan werken, alleen moeten we het nog een goede plaats geven.''

Gerritsen gelooft niet dat alle vormen van kanker binnen afzienbare tijd met gentherapie kunnen worden genezen. Wel verwacht hij dat de behandeling geleidelijk zijn weg naar de kliniek zal vinden, zij het slechts in een beperkt aantal gevallen. Zo zal gentherapie wellicht worden gebruikt om de werkzaamheid te verhogen van immunotherapie, een experimentele vaccinatiemethode. Daarbij krijgen kankerpatiënten hun eigen kankercellen ingespoten in de vorm van een vaccin. Meestal is zo'n vaccin te slap om een genezende afweerreactie op te wekken. Maar als de kankercellen in het vaccin met gentherapie zijn bewerkt, worden ze beter herkenbaar voor de afweer; dat zou het eindresultaat ten goede komen.

Verder put Gerritsen hoop uit een onderzoek bij mensen met een vergevorderde kanker in het hoofd-halsgebied. Bij sommigen van hen bleek de tumor soms enigszins te slinken dankzij gentherapie. Dit gebeurde maar bij één op de tien mensen, en de patiënten leefden er nauwelijks langer door. Maar het zou illustreren dat gentherapie op zich geen onzin is. (noot redactie: een Fase III studie van autovaccinatie bij dikke darmkanker in de VU en 11 andere ziekenhuizen in Nederland is ondanks zeer veelbelovende resultaten nu al anderhalf jaar stop gezet om dat er zogenaamd geld zou zijn. Kijk voor informatie daarover op pagina kankersoorten-darmkankers. Het is dus niet zo dat er geen resultaten zouden zijn, maar op een of andere manier houden bepaalde organisaties en/of bedrijven dit tegen, want ze maken mij niet wijs dat er voor zo'n veelbelovende studie geen geld te krijgen zou zijn in Nederland)

Dit onderzoek was gericht op de reparatie van één defect gen, het zogeheten p53-gen, dat belangrijk is voor de celdeling. ,,Wereldwijd zijn de meeste gentherapeutische studies aan het p53-gen gestopt'', constateert Gerritsen tot zijn spijt. ,,Er lopen er nog maar twee: een met alleen gentherapie en een waarbij gentherapie wordt gecombineerd met chemotherapie. Het lijkt erop dat tumorcellen gevoeliger worden voor chemotherapie als je de functie van het p53-gen met gentherapie normaliseert. Waarschijnlijk hebben deze onderzoeken over drie jaar voldoende informatie opgeleverd om te concluderen of deze aanpak werkt. Rond 2005 wordt het dus erop of eronder voor dit type gentherapie, maar ik verwacht dat het goed zal gaan.''

Mocht alle moeite niettemin uitdraaien op een teleurstelling, dan is de gentherapie volgens Gerritsen nog niet verloren. De methode zou namelijk ook gebruikt kunnen worden om tumorcellen te doden, in plaats van ze te repareren. Hierbij verrijkt de onderzoeker de tumorcellen met het gen dat het recept bevat voor een bepaald enzym. Dat enzym kan een onschadelijke stof omzetten in een giftige. Dient de onderzoeker die stof toe, dan vergiftigen de kankercellen zichzelf binnen een mum van tijd.

Deze suïcide-gentherapie of enzym-prodrug-therapie is conceptioneel wel wat aantrekkelijker dan de klassieke gentherapie, vindt dr. A. Berns, hoogleraar experimentele genetica aan de Universiteit van Amsterdam en wetenschappelijk directeur van het Nederlands Kanker Instituut. ,,Het voordeel is dat je niet iedere kankercel hoeft te bereiken. Het geproduceerde gif verspreidt zich enigszins door de tumor, zodat naburige kankercellen ook worden gedood. Toch blijkt in de praktijk dat je ook hier last hebt van de gebrekkige verspreiding van het virus. Er wordt al tien jaar met dit concept geëxperimenteerd, en nog steeds zijn we nergens.''

Gerritsen werpt tegen dat de methode effectiever zal worden als er delende virussen worden gebruikt. In tegenstelling tot de statische virussen die tot nu toe gangbaar waren, kunnen deze virussen zich vermenigvuldigen. Dat doen ze alleen in tumorcellen, niet in de rest van het lichaam. Dankzij deze vermenigvuldiging kunnen de virusdeeltjes zich beter verspreiden, zodat ze hun giftige stoffen of hun helende genen aan meer tumorcellen zullen afleveren. In de Verenigde Staten zou het eerste succes met deze benadering al zijn geboekt. Gerritsen: ,,Met delende virussen die een gen voor een enzym bevatten, heeft men in Detroit mooie resultaten behaald. Bij enkele mensen met een niet-opereerbare vorm van prostaatkanker is het gelukt om de tumoren helemaal weg te krijgen.''

Niet alleen het gif, ook het delende virus zelf blijkt de tumor zwaar te beschadigen. Zo'n virus maakt in een kankercel duizenden kopieën van zichzelf. Om te ontsnappen moeten de virusdeeltjes de cel uiteindelijk perforeren en doden, waardoor de tumor kleiner wordt. Dit effect is zo sterk dat onderzoekers er een zelfstandige therapie in zien: virotherapie. Hierbij krijgt de patiënt in de tumor een virus ingespoten, dat het gezwel als het ware opblaast. Deze techniek kan volgens Gerritsen vooral nuttig zijn bij mensen met een tumor in de hersenen of de prostaat, die over het algemeen slecht te opereren zijn.

Zijn collega Berns is echter van mening dat er vooralsnog weinig spectaculaire resultaten mee worden bereikt. Volgens hem zitten er nog te veel zwakke plekken in de therapie. De virusdeeltjes 'lekken' bijvoorbeeld weg naar andere delen van het lichaam, of de afweer maakt ze zo snel van kant dat ze hun werk niet kunnen doen. Maar op zich is Berns gecharmeerd van het concept van virotherapie. ,,Met wat aanpassingen zal het wellicht iets opleveren voor een beperkte groep patiënten met een niet-uitgezaaide tumor. En dat geldt eigenlijk voor de hele gentherapie. Sommige mensen proberen nog steeds het oude hype-karakter in stand te houden. Dat doe ik niet, maar ik wil ook niet beweren dat we de gentherapie maar moeten vergeten. Uiteindelijk rolt er vast iets bruikbaars uit. Maar als ik mijn geld ergens op moest zetten, dan voorlopig niet op gentherapie.''

KADER

Gunstige afloop

Geavanceerde medicijnen, vaccins, gentherapie... op alle denkbare terreinen leveren wetenschappers strijd tegen kanker. Maar zal het ooit lukken om elke vorm van kanker te overwinnen? De pessimist zal zeggen dat ontaarde groei en gewone groei te dicht bij elkaar liggen om overal een therapeutische scheidslijn te kunnen trekken. Maar prof. dr. Ronald Plasterk, moleculair bioloog en directeur van het Hubrecht Laboratorium in Utrecht, verwacht wel degelijk een gunstige afloop.

,,Op moleculair niveau zie je duidelijke verschillen tussen gewone cellen en kankercellen. Een kankercel heeft meestal een stuk of vijf genetische mutaties ondergaan. Daardoor kan hij zich ongeremd delen, zich uitzaaien én bloedvaatjes vormen. Ik ben een optimist, dus ik ga ervan uit dat je al die specifieke verschillen kunt aangrijpen voor de ontwikkeling van nieuwe therapieën.''

Maar het zal niet zo gemakkelijk gaan als met de strijd tegen de infectieziekten, die in de eerste helft van de twintigste eeuw beheersbaar werden. De antibiotica die toen op de markt kwamen, danken hun succes aan het fundamentele verschil tussen bacteriën en mensen. Ze doden alleen micro-organismen, de mens ondervindt er geen hinder van. Bij kanker is de grens tussen ziek en gezond echter minder scherp. In een kankercel zijn gemiddeld weliswaar vijf DNA-letters veranderd, maar op een totaal van drie miljard is dat niet veel.

Toch gelooft Plasterk dat de wetenschap ook op zulke marginale verschillen een antwoord zal vinden. ,,De kennis over kanker is de afgelopen jaren enorm toegenomen. De meeste therapieën zijn daarentegen nog traditioneel: gebaseerd op het verschil in groeisnelheid tussen kankercellen en gewone cellen. Nu er meer en meer technieken beschikbaar komen waarmee we specifieker kunnen ingrijpen in de ziekte, verwacht ik dat veel vormen van kanker steeds beter behandelbaar worden. Sommige vormen van kanker blijven misschien een probleem, maar globaal zijn de vooruitzichten gunstig.''


Plaats een reactie ...

Reageer op "Deel 4: Gentherapie. de reparatie van het erfelijk materiaal bij kanker."


Gerelateerde artikelen