Er is de afgelopen jaren een gedeelte van deze lijst verloren gegaan, vanaf de N. Ik zal proberen om de volledige lijst alsnog te achterhalen

Adjuvant: Ondersteunend. Vaak is een adjuvant een ondersteunende behandeling na een bestraling of operatie, met bijvoorbeeld cytostatica/chemotherapie. De kans dat de tumor terugkomt kan hierdoor afnemen en/of de genezingskans kan hierdoor toenemen. Angiogenese: Een tumor is oorspronkelijk een ongeorganiseerde klomp cellen. Het gevolg is dat de kern van de klomp te weinig zuurstof krijgt, en allerlei stofwisselingsafvalstoffen zich binnenin ophopen. De meeste deskundigen stellen dat een tumor daarom nooit groter zou kunnen worden dan 2 mm in doorsnede (dit geldt dus ook voor uitzaaiingen). Tijdens de groei van een foetus gedurende de zwangerschap worden echter organiserende stoffen gebruikt, die bestaande bloedvaten laten vertakken naar bijvoorbeeld een orgaan in wording. De tumor roept dit oude mechanisme te hulp, waardoor een gezond bloedvat in de buurt gaat vertakken en de tumormassa van nieuwe bloedvaten gaat voorzien (neo-angiogenese). Nu is opeens afvoer van afvalstoffen en toevoer van zuurstof en brandstof mogelijk, en kan dus tumorgroei in omvang toenemen. Ook kunnen losse tumorcellen via deze bloedvaten veel gemakkelijker ontsnappen (uitzaaiingen). Verstoren van angiogenese is volgens in vitro en vivo onderzoek mogelijk met bijvoorbeeld genisteïne uit sojaproducten, maar ook met lichaamseigen hormoonderivaten (2-methoxy-oestrogenen), waarvan de vorming gestimuleerd wordt door de stof indol-3-carbinol uit kruisbloemige groentes. Voor grote beperkingen zie evenwel "In vitro". Specifiek zijn 2-methoxy-oestrogenen erg interessant, met minimale bijwerkingen (overigens pas in doseringen die de lichaamsniveaus ver overschrijden). Teveel arachidonzuur zou de angiogenese kunnen stimuleren. Angiogenese is overigens wel heel belangrijk bij wondgenezing, gedeeltelijk herstel na een infarct, enz. Zwakkere in vitro indicaties voor een mogelijk effect tegen angiogenese, dan gevonden is voor genisteïne vond men voor soja eiwit, groene thee polyfenolen, N-acetyl-cysteïne, visolie, retinoïden (vitamine A derivaten), het omega-6 vetzuur gamma-linoleenzuur, stoffen uit mistletoe extract, luteoline (bioflavonoïde uit plantaardige voeding, zit relatief veel in artisjok), apigenine (algemeen voorkomend flavonoïde in plantaardig voedsel), selenium, vitamine D3 en E, haaienkraakbeenextract (er schijnt veel slecht materiaal op de markt te zijn), isoliquiritine (uit zoethout), saponines (uit ginseng), flavonoïden, enz. <Apoptose: Dit is het sterven van een cel op een voorgeprogrammeerde georganiseerde manier, onder andere om continue verjonging van weefsels te garanderen. Bij ongeplande celdood (necrose), bijvoorbeeld door straling of omdat het omringende celmembraan teveel is beschadigd door radicalen, gaat een cel op ruwere wijze te gronde. Maar bij apoptose scheidt een lichaamscel geleidelijk op geprogrammeerde wijze een stroom van kleine pakketten uit, net zolang tot de cel verdwenen is (zelfopoffering). Deze pakketten worden eenvoudig opgenomen en gebruikt als brandstof of bruikbare onderdelen door omringende jongere cellen, en een flink deel wordt opgeruimd door vreetcellen van het immuunsysteem (fagocyten). Apoptose wordt ook gebruikt voor het selectief uitschakelen van beschadigde en abnormale cellen. Gezonde cellen houden keurig bij dat ze na een beperkt aantal celdelingen aan de beurt zijn om in apoptose te gaan, en dus op positieve wijze uit zichzelf zelfmoord gaan plegen, maar bij tumoren zou dit proces grotendeels ziekelijk uitgeschakeld zijn, waardoor de tumorcellen relatief "het eeuwige leven" zouden krijgen. Met denkt dat tumoren vooral opzwellen doordat apoptose niet meer werkt, waardoor onvoldoende cellen verdwijnen; de extreem verhoogde snelheid van opeenvolgende celdelingen speelt over het algemeen veel minder een rol. Een aantal voedingsstoffen kunnen in vitro de uitgeschakelde apoptose in kankercellen weer herstellen, wat de potentiële werking van voeding en -suppletie ter ondersteuning van de reguliere strijd tegen kanker aangeeft. Voorbeelden zijn vitamine D3 en E, vitamine E succinaat, groene thee polyfenolen, theaflavine (uit gewone thee), voedingsvezels/butyraat, D-limoneen (irriterende stof in sinaasappelschillen en -olie), genisteïne uit sojaproducten, apigenine (algemeen voorkomend flavonoïde in plantaardig voedsel), allicine (uit knoflook), theasinensine (uit thee), luteïne (carotenoïde bijv. uit donkergroene groentes), cafeïne, protocatechinezuur (uit groente/fruit/noten), resveratrol (stof in rode wijn: bij voorkeur toch niet meer dan 1 glas wijn per 2 dagen nemen, dus resveratrol liever als supplement nemen, 1 capsule = rode stof van diverse flessen wijn), de vetzuren DHA en EPA in visolie, fytinezuur, vitamine K3, saponines (uit ginseng), beta-sitosterol (in plantaardige voeding, vooral in soja en pinda's), soja eiwit, knoflookolie, stoffen uit mistletoe extract, calcium, selenium, luteoline (bioflavonoïde uit plantaardige voeding, zit relatief veel in artisjok), curcuma (zit in kerrie), stoffen uit gember, mistletoe extract, perillyl alcohol (wordt gevormd uit D-limoneen), glycyrrhizinezuur (uit zoethout), knoflookbestanddelen, indol-3-carbinol en sulforafaan (uit kruisbloemige groentes, vooral in broccoli), sesamine (in sesamolie), ellaginezuur (vooral uit aardbeien, bessen, walnoten, Brasil noten, en verder kersen, pruimen, appels, sinaasappels, druiven, enz.), flavon (uit fruit en groentes), geconjugeerd linolzuur (CLA uit melkvet, kalkoenvet, schapenkaas en lamsvet; CLA is ook als supplement te koop), beta-glucanen uit de Maitake paddestoel, quercetine (zit relatief veel in thee, uien en grapefruit), retinoïden (vitamine A derivaten), diallyl(di)sulfides (uit knoflook en uien), isothiocyanaten (bijvoorbeeld uit kruisbloemige groentes), enz. Zie voor grote beperkingen evenwel "In vitro". Men heeft gevonden dat slecht gedifferenteerde kankercellen in vitro soms sterk kunnen normaliseren onder invloed van bepaalde stoffen (zie differentiatie), en dat deze betere differentiatie eerst nodig is voordat apoptose weer op kan treden. Arachidonzuur-metabolisme: Het meervoudig onverzadigde vetzuur linolzuur, behorend tot de zogenaamde omega-6 vetzuren, is een uiterst belangrijk en onmisbaar voedingsingrediënt; circa 2,5 % van de dagelijkse calorieën is al voldoende. Overmaat (zoals van de ca. 60-70% linolzuur in zonnebloemolie over de sla) is ongunstig, omdat er via het zogenaamde arachidonzuur-metabolisme stoffen van gemaakt worden, die tumorcellen volgens gedeeltelijk bewezen hypotheses moeilijk zelf aan kunnen maken, en dus of uit de voeding moeten halen of moeten verkrijgen door vernietiging van omringend weefsel. Dierlijke producten bevatten geringe hoeveelheden van het vetzuur arachidonzuur. Deze stof, die gevormd wordt uit linolzuur (dit is een deel van het arachidonzuur-metabolisme), zou één van die onmisbare stoffen voor tumorgroei kunnen zijn, gemis eraan zou de tumor kwetsbaar maken in zijn groei. Sommige onderzoekers vermoeden dat tumorcellen in tegenstelling tot gezonde cellen arm zijn aan enzymen zoals delta-6-desaturase en/of delta-5-desaturase. Linolzuur wordt in gezonde cellen door gebruik van de hulpstof coenzym A en het enzym delta-6-desaturase omgezet in gamma-linoleenzuur, waaruit weer dihomo-gamma-linoleenzuur ontstaat (speelt een rol in de immuniteit). Vandaar dat een correcte hoeveelheid linolzuur onder andere als basis voor gamma- en dihomo-gamma-linoleenzuur voor gezonde cellen wel degelijk essentieel is. Gunstige vorming van gamma-linoleenzuur uit linolzuur wordt gekatalyseerd door magnesium, zink, en vitamine B6, en de aanmaak van dihomo-gamma-linoleenzuur uit gamma-linoleenzuur door zink en vitamine B6. De gunstige aanmaak van gamma-linoleenzuur uit linolzuur wordt geremd door overmaat verzadigde vetten, transvetzuren uit geharde vetten, alcohol, toenemende leeftijd, suikerziekte (diabetes), vasten, subklinisch tekort aan vitamine B6 en zink, enz. Via het enzym delta-5-desaturase wordt dihomo-gamma-linoleenzuur echter omzet in arachidonzuur. Delta-5-desaturase kan men gunstig remmen met curcuma (zit in kerrie), alfa-linoleenzuur (uit lijnzaadolie), EPA (in visolie) en sesamine (in sesamolie). Arachidonzuur zou zeer belangrijk voor de tumor zelf zijn, die het verder omzet onder andere door 5-lipoxygenase enzymen in leukotriënen van de 4-serie (die ontstekingen stimuleren en kankergroei zouden bevorderen) en via cyclo-oxygenase enzymen (COX-1 en COX-2) kan arachidonzuur worden omgezet in prostaglandines van de 2-serie, die de immuniteit onderdrukken en kankergroei zouden stimuleren. 5-lipoxygenase kan men echter gunstig remmen met quercetine (zit relatief veel in thee, uien en grapefruit), met EPA en DHA uit visolie, vitamine E, zink, enz. Ook COX-enzymen kan men gunstig remmen, namelijk met sesamine (onderdeel van sesamolie), curcuma (zit in kerrie), alfa-linoleenzuur (uit lijnzaadolie), bromelaïne, vitamine A en E, beta-caroteen, stoffen uit knoflook, EPA en DHA uit visolie, sylimarine, aspirine, vezels/butyraat, enz.

Uit alfa-linoleenzuur ontstaat in het lichaam EPA (zit veel in visolie). EPA en DHA (ook uit visolie) worden verder omgezet in prostaglandines en leukotriënen van de 3-serie, die de effecten van overtollig arachidonzuur zouden tegengaan. Hoewel arachidonzuur in vitro soms apoptose bevorderende eigenschappen heeft (maar dan net als veel andere onverzadigde vetzuren), wordt voeding laag in arachidonzuur en remming van de arachidonzuuraanmaak bij een aantal soorten tumoren als tumorgroeiremmend gezien, zoals bij prostaat-, huid- en rectaalkanker. Arachidonzuur zou een sleutelstof zijn bij het ontstaan van uitzaaiingen en angiogenese. Voeding laag in arachidonzuur is dus mogelijk belangrijk: relatief hoge concentraties arachidonzuur zitten in eidooiers, rood vlees en vooral orgaanvlees. Vette vis (zalm, paling, zalmforel en makreel met veel gunstige omega-3 meervoudig onverzadigde vetzuren in de visolie) en schaal/schelpdieren zijn relatief arm aan arachidonzuur. Sojaproducten, fruit en groente bevatten helemaal geen arachidonzuur. Relatief veel arachidonzuur zit in magere vis, wijting, karper en zeewolf. Remming van het arachidonzuur-metabolisme kan vanwege de soms relatief hoge concentraties linolzuur in de voeding als gunstig gezien worden. Deze remming wordt onder andere gevonden voor vitamine A, retinoïden (vitamine A derivaten), beta-caroteen, vitamine E, silibine (uit silymarine), gember, glycyrrhizinezuur (uit zoethout), resveratrol (stof met rode kleur in rode wijn: bij voorkeur toch niet meer dan 1 glas wijn per 2 dagen nemen, dus resveratrol liever als supplement nemen, 1 capsule = rode stof van diverse flessen wijn), uien en knoflook, visolie, olijfolie (met een hoog gehalte van het enkelvoudig onverzadigde omega-9 vetzuur oliezuur), polyfenolen (uit groente en fruit), curcuma (zit in kerrie), enz. Zie voor grote beperkingen "In vitro". Zie ook bij enzymen. Arachidonzuur mag niet verward worden met arachidezuur, een vetzuur dat relatief veel in pinda's voorkomt. Pinda's zijn laag in arachidonzuur.

 

Benigne: Goedaardig. Een benigne tumor is een langzaam of haast niet groeiende goedaardige tumor, die bijna altijd sterk ingekapseld is, en die niet door barrières heen kan groeien en zich niet uitzaait.

 

Bestraling:
Behandeling met straling, afkomstig van onder andere radioactieve elementen, met het doel tumorcellen te doden.
Cachexie: Toestand van sterke vermagering en algehele zwakte, afnemende spiermassa, bloedarmoede, enz die uiteindelijk tot de dood kan leiden. Enkele oorzaken bij kanker zijn slechte opname van voedingscomponenten, verminderde eetlust, stressreacties, veranderde insulineweerstand, enz. Kankercellen kunnen parasiteren op de gastheer, onder andere doordat zij bloedsuiker (glucose), bijvoorbeeld door slechte zuurstoftoevoer niet goed verbranden tot koolzuurgas en water. Om toch energie uit glucose te halen zetten zij dit grotendeels om in melkzuur (tijdens de glycolyse in het cytoplasma). Dit melkzuur (vaak lactaat genoemd) verwijderen zij naar de omgeving, en uiteindelijk zou het lichaam bij grote tumormassa's kunnen verzuren. In de Cori-cyclus zet de lever de afvalstof melkzuur ten koste van veel energie weer om in glucose, dit is weer energie voor de kankercel die er weer melkzuur van maakt, enz. Op deze wijze gaat teveel energie verloren, omdat de lever ten koste van veel energie de tumor van brandstof voorziet. Tot op heden bleek het erg moeilijk te zijn om cachexie door hoge calorie-iname te stuiten. Er zijn aanwijzingen dat de vetten in visolie het ontstaan van cachexie bij sommige tumorsoorten zouden kunnen vertragen. Ook zou de stof quercetine (zit relatief veel in thee, uien en grapefruit) volgens in vitro proeven de uitscheiding van melkzuur uit de kankercel kunnen verstoren, waardoor deze zelf met teveel melkzuur te maken zou kunnen krijgen. Zie voor grote beperkingen echter "In vitro".

Tumorcellen parasiteren mede op de gastheer, omdat ze stoffen afscheiden zoals:

a. Lypolytische factoren: Deze splitsen vetweefsel, hierdoor komen vetzuren vrij, deze gaan naar de tumor als voeding.

b. Proteolytische factoren: Deze splitsen spierweefsel, dit geeft vrije aminozuren. Deze gaan deels rechtstreeks naar de tumor (alanine, glutamine), worden deels getransformeerd tot glutamine, gaan deels naar de lever (vooral alanine), die er weer glucose van maakt (via de Cori-cyclus), dat de tumor weer als brandstof gebruikt, enz.

c. Ubiquiten-complex: Dit is een klein eiwit dat zich aan sommige andere eiwitten bindt, hierdoor wordt een bepaald eiwitsplitsend enzym geactiveerd (protease), dat alleen deze eiwitten nog verteerd en stopt na 10-15% eiwitafbraak.

d. Cytokinen uit macrofagen, monocyten en lymfocyten van het immuunsysteem. Dit geeft necrose (zie apoptose) van het tumorweefsel, maar ook van gezond weefsel

e. Enz.


Carcinogeen: Kankerverwekkend. In het algemeen is dit een stof of mechanisme (straling, enz) die het ontstaan van kanker kan bevorderen. Als door carcinogeniteit in het DNA erfelijke fouten ontstaan die dus bij celdeling worden doorgegeven (zie mutaties), en die aan de DNA-reparatiesystemen zijn ontsnapt, dan kan dit in zeldzame gevallen kanker betekenen. Sommige stoffen zijn hooguit mutageen, en carcinogene stoffen hebben dus een ernstiger impact op het gezonde DNA. De meeste kennis stamt helaas nog voornamelijk uit in vitro onderzoek.

 

Er zijn enkele klassen carcinogene verbindingen:

a. Nitroso-amines: zie aparte sectie.

b. Biogene-amines (polyamines): zie aparte sectie.

c. PAK's. Een groep stoffen, de polycyclische aromatische koolwaterstoffen, die ontstaan bij verhittingsprocessen. Een bekende is 3,4-benzopyreen. Deze stoffen zitten in rook (barbecue, gril, sigaret, enz) en ontstaan vooral tijdens bakken, grillen, frituren en koken van vlees en vis; hiertoe vallen ook veel stoffen uit de groep van de aromatische koolwaterstof- en/of heterocyclische amines. Deze amines kunnen tijdens ontgiftiging (zie aparte sectie) tijdelijk worden omgezet in zeer carcinogene hydroxylamines. Gerookte voedingsmiddelen vermijden want die kunnen teveel PAK's bevatten.

d. Myco-toxines. Schimmelgiffen. Hiervan zijn er ongeveer 300 verschillende in voedsel gevonden. Beschimmelde voedingsproducten moet men streng vermijden. Bekend is de stof aflatoxine B1, die primair op de lever zou inwerken, en die onder andere in pinda-producten kan voorkomen, maar waarop algemeen goed gecontroleerd wordt.

e. Zware metalen. Zoals cadmium, nikkel, lood, enz. worden ervan verdacht medefactoren in carcinogeniteit te kunnen zijn.

f. Pesticiden: Deze groep bestrijdingsmiddelen bevat enkele vertegenwoordigers die als carcinogeen te boek staan, zoals de tumorpromoters HCH (lindaan), DDT, enz.

g. Milieugiften: Berucht zijn PCB's en organische kwikverbindingen in verontreinigde vis.

h. Kruiden: De meeste aparte kruiden zijn welomschreven in de medische literatuur en zijn door hoge gehaltes aan carotenoïden, fyto-oestrogenen, bioflavonoïden, anticarcinogenen stoffen, enz niet zelden van zeer grote waarde. Beter kan men echter ongedefinieerde kruidenmengsels vermijden, waarop niet specifiek staat wat erin zit en in welke hoeveelheden, en die soms in vitro carcinogeen bleken te zijn. Kruiden waaraan men zware metalen heeft toegevoegd moeten streng vermeden worden. Bij toepassing van kruiden altijd eerst even de MEDLINE en TOXLINE raadplegen.

i. Bruiningsproducten: Ontstaan vooral bij verhitten (ook koken) van vlees en vis. Ze worden gevormd uit reacties tussen natuurlijk voorkomende suikers, aminozuren en creatin(in)e. Een bekende carcinogene vertegenwoordiger is de stof PhiP.

j. Resten groeihormonen.

k. Enz.

Te vetrijke voeding, ook als het bijvoorbeeld extra veel olijfolie betreft, bevordert de ongewenste opname in de darm van vetoplosbare carcinogenen (dit zijn de meeste carcinogenen). Men dient echter voeding ook weer niet extreem vetarm te maken, omdat dit de opname van essentiële vetoplosbare voedingsstoffen sterk kan belemmeren.

Veel stoffen worden pas carcinogeen, nadat ze door de fase-1 ontgiftigingssystemen in een andere stof zijn veranderd.

Bepaalde stoffen zijn carcinogeen omdat ze initiatoren zijn. Ze kunnen een gezonde cel veranderen in een (pre)kanker cel (initiatie), maar meestal verder geen invloed uitoefenen. De erfelijke verandering in het DNA na initiatie wordt als niet omkeerbaar gezien, wel kan de cel misschien nog apoptose ondergaan. Men neemt echter aan dat initiatie niet voldoende is om volledig kanker te ontwikkelen. Andere stoffen promoten de geïnitieerde cel om verder te gaan, en zich tot een volwaardige groeiende tumor te ontwikkelen (deze carcinogene stoffen heten tumorpromotors en worden ook cocarcinogenen genoemd). Van promotie is diverse malen getoond dat het wel omkeerbaar kan zijn. Ook kunnen bepaalde stoffen de voortgang (progressie of propagatie) van het tumorproces van goed- naar kwaadaardig bevorderen (ook dit zijn dan promotors) waardoor invasie en uitzaaiingen kunnen volgen. Sommige stoffen zijn alleen carcinogeen, als er een andere ongunstige stof (cocarcinogeen) aanwezig is. Anticarcinogene stoffen maken de carcinogenen onschadelijk, binden ze in de darm, verhinderen dat ze worden omgezet in gevaarlijker stoffen, dus verhinderen de initiatie of promotie door sommige cocarcinogenen. Onderzoek naar anticarcinogene stoffen vindt men vaak ook op de MEDLINE bij chemopreventie en chemoprotectie.

Indicaties voor (soms sterke) anticarcinogene werking vond men onder andere voor:

apigenine (algemeen voorkomend flavonoïde in plantaardig voedsel), beta-caroteen, alfa-caroteen (carotenoïde), lycopeen (uit tomaten), luteïne (carotenoïde bijv. uit donkergroene groentes), zeaxanthine (carotenoïde), canthaxanthine (carotenoïde), asthaxanthine (carotenoïde), brassinine (uit koolsoorten), chlorophyll (draagt bij aan de groene kleur van veel plantaardige voedingsmiddelen), curcuma (zit in kerrie), ditihiolthionen (uit kruisbloemige groentes), ellaginezuur (vooral uit aardbeien, bessen, walnoten, Brasil noten, en verder kersen, pruimen, appels, sinaasappels, druiven, enz), erg belangrijk lijkt geconjugeerd linolzuur (CLA uit melkvet, kalkoenvet, schapenkaas en lamsvet; CLA is ook als supplement te koop), genisteïne en daïdzeïne (uit sojaproducten), Bowman-Birk inhibitor (aanwezig in sojaproducten), saponines (uit ginseng), glucaarzuur (in kruisbloemige groentes, zoete kersen en citrusvruchten), glutathion (lichaamsniveaus zijn te verhogen met N-acetyl-cysteïne), groene thee, EGCG (epigallocatechine-3-gallaat) en andere catechinen (uit groene thee), protease inhibitors (zoals in soja), theaflavine (uit gewone thee), thee (pigmenten, cafeïne, polysacchariden, polyfenolen), indol-3-carbinol en sulforafaan (uit kruisbloemige groentes, vooral in broccoli), isothiocyanaten (bijvoorbeeld uit kruisbloemige groentes), uien, knoflook, diallyl(di)sulfides (uit knoflook en uien), Lactobacillus acidophilus, D-limoneen (irriterende stof in sinaasappelschillen en ­olie), luteoline (bioflavonoïde uit plantaardige voeding, zit relatief veel in artisjok), melatonine, stoffen uit mistletoe extract, NDGA (zit in harsachtige delen van veel planten), N-acetyl-cysteïne, oligosaccharides (onder andere uit soja), perillyl alcohol (wordt gevormd uit D-limoneen), polyfenolen (uit groene thee en artisjok), protocatechinezuur (uit groente/fruit/noten), S-allylcysteïne (uit knoflook en uien), saponinen (zitten vooral in sojaproducten), saponinen (uit asperges), selenium, calcium, zink, magnesium, sesamine (in sesamolie), silymarine (flavonoïde en antioxidant), squaleen (uit olijfolie), stoffen uit kaneel, terpenoïden (uit sommige kruiden), vanilline (uit vanille), voedingsvezels/butyraat, fytinezuur, zoethoutextract, retinoïden (vitamine A derivaten), vitamine A, C, D3 en E, tocotriënolen, de combinatie vitamine C en E met selenium, de combinatie vitamine C met B12, foliumzuur, ascorbyl palmitaat, enz. Zie ook de bestrijding van nitroso-amines en biogene-/polyamines

Chemotherapie: Behandeling met chemische stoffen, bedoeld om tumorcellen te doden. Geleidelijk is in het taalgebruik het onderscheid met cytostatica vervaagd. Bij chemotherapie is er het nadeel dat men om ethische redenen niet bijwerkingen bij gezonde personen kan testen vanwege de mogelijke ernst hiervan. Vanwege de bijwerkingen is dubbelblind onderzoek niet, maar gerandomiseerd onderzoek wel mogelijk. Een theoretisch nadeel is ook dat men zieke mensen om ethische redenen niet een mogelijk nieuw effectief chemotherapeutisch middel mag onthouden (door een placebo te geven), en dus placebo gecontroleerd onderzoek ook daarom niet goed mogelijk is.

Contra-indicatie: Situatie waarin een (doorgaans gunstig) middel wegens bewezen nadelen moet worden ontraden, zoals bij zwangerschappen, bij specifieke tumorsoorten, bepaalde behandelingen, enz. Ook dit is een reden te meer om nooit zelf te gaan dokteren met voeding en voedingssuppletie en beslist bij aanvullende behandeling met voeding + suppletie bij kanker altijd een arts te raadplegen, die op de hoogte is van de uitgebreide wetenschappelijke literatuur + van eventuele contra-indicaties.


Cyste: Holte, gevuld met een vloeibare, stroperige of taaie inhoud. Heeft dus niets met kanker te maken.

Cytoplasma: De licht stroperige vloeistof, waarmee cellen zijn gevuld.
Cytostatica: Geneesmiddelen die celgroei en celdeling remmen. Geleidelijk is in het taalgebruik het onderscheid met chemotherapie vervaagd.
Differentiatie: Gezonde cellen verschillen onder de microscoop uiterlijk van elkaar en zijn vaak duidelijk een levercel, een spiercel, enz (hebben onderling specifieke eigenschappen en "karakter", zijn "different", zijn elk een andere weg opgegaan na hun ontstaan). Kankercellen hebben dikwijls deze soorteigenschappen onder de microscoop gedeeltelijk of geheel verloren. Evenzeer maakt een gezonde levercel bepaalde biochemische stoffen aan, maar een levertumorcel kan deze eigenschap gedeeltelijk of geheel verliezen. De tumorcel wordt dus optisch en biochemisch meer en meer een primitieve onherkenbare cel. Hoe primitiever de kankercel begint te lijken, dus hoe ongedifferentieerder hij wordt, des te slechter is vaak de prognose voor de kankerpatiënt. Van een aantal voedingsstoffen is onmiskenbaar gevonden dat ze in vitro de differentiatie van tumorcellen verbeteren of deze zelfs herstellen, optisch en biochemisch (zie MEDLINE). Voorbeelden hiervan zijn onder andere fytinezuur; calcium; vitamine E succinaat; lycopeen (uit tomaten); selenium; genisteïne, daïdzeïne en biochanine A uit sojaproducten; apigenine (algemeen voorkomend flavonoïde in plantaardig voedsel); agglutines (uit tuinbonen), luteïne (carotenoïde bijv. uit donkergroene groentes); visolie; coumarines zoals 1,2-benzopyron (uit onder andere de kruiden dong quai, akkerhoningklaver en rode klaver), stoffen uit knoflook en knoflookolie; quercetine (zit relatief veel in thee, uien en grapefruit); voedingsvezels/ butyraat; saponines (uit ginseng), bromelaïne, flavon (uit fruit en groentes), perillyl alcohol (wordt gevormd uit D-limoneen), citrus flavonoïden, vitamine A, retinoïden (vitamine A derivaten), beta-caroteen, vitamine D3, E en K2, de combinatie vitamine E succinaat met D3, enz. Zie voor grote beperkingen evenwel "In vitro".


DNA-reparatiesystemen: DNA zit in de celkern van een cel (en een klein deel in de energiecentrales of mitochondria) en bevat de erfelijke codes, maar ook instructies wat een cel moet doen. Kleine stukjes DNA worden bijvoorbeeld gecopiëerd (dit heet RNA) en dit wordt opgeslagen in deeltjes (ribosomen) die uit de kern naar de celinhoud gestuurd worden met instructies voor de aanmaak van 100.000 verschillende eiwitten, van enzymen, enz. Het DNA bestaat uit een lange keten met daarin een gigantisch lange ketting opgebouwd uit slechts vier kernzuren (A, T, C, G). De correcte volgorde van deze uiterst lange ketting is cruciaal voor erfelijkheid en gezondheid. De DNA-ketting is dubbel uitgevoerd als een ladder met spaken van twee kernzuren, en tegenover elke A zit altijd een T en tegenover C altijd een G (de combinatie van twee kernzuren noemt men ook wel een basepaar). Tijdens celdeling laten de kettingen elkaar los, en bij beide aparte gescheiden kettingen wordt daarna een nieuwe tweede ketting gevormd, en dit kan blindelings omdat de A altijd een T tegenover zich krijgt, de T altijd een A, de G een C, enz. Grote delen van het DNA lijken geen duidelijke functie te hebben en schermen misschien kritische informatie af tegen beschadigingen. Als een vrij radicaal, straling of iets anders een kernzuur vernietigt, heet dit primaire schade (vooral schadelijk zijn hydroxylradicalen HO*). Nu weet het systeem niet meer wat het moet doen bij celdeling en kiest dan op de gok een willekeurig kernzuur in de nieuwe keten, met een kans van 3 op 4 op een fout in het nieuw gevormde DNA (secundaire schade). Er is gelukkig een krachtig en uiterst effectief DNA-reparatiesysteem actief met een grote capaciteit, dat voortdurend fouten in het DNA opspoort en herstelt. Als het reparatiesysteem faalt en de beschadiging zit (heel zeldzaam) op een kritische plek, dan kan de fout permanent doorgegeven worden bij celdeling (mutatie) en dit kan soms het begin van kanker zijn. Kanker is dus een ziekte van het DNA. Maatregelen ter beperking van primaire DNA schade zijn: verlagen van de radicaaldruk door voldoende inname van antioxidanten (belangrijk voor DNA zijn onder andere vitamine A, C en E, polyfenolen uit groene thee, glycyrrhizinezuur (uit zoethout), selenium en het lichaamseigen hormoon melatonine), door anticarcinogene maatregelen, door te zorgen dat de DNA-reparatiesystemen niet door subklinische tekorten aan vitamines en mineralen slecht functioneren, en door fouten in de aanmaak van DNA in nieuwe ketens bij celdeling waar mogelijk preventief te voorkomen. Bijvoorbeeld voor de aanmaak van één van de kernzuren (T = Thymidine) heeft het lichaam voldoende van de vitamine foliumzuur (en B6) nodig. Subklinische tekorten aan foliumzuur leiden tot inbouw van fouten in nieuwe DNA-ketens (misinbouw van uracil in plaats van Thymidine), die lijken op sommige fouten in kankercel-DNA, en die de DNA-reparatie dus extra belasten. Circa 20% van de Nederlanders zou een inname van foliumzuur van 50-70% onder de norm hebben. Foliumzuur zit relatief veel in broccoli, volkorenproducten, zalm, lever, melkproducten, noten, spinazie, oesters, biergist, paddestoelen, tarwekiemen, enz. Foliumzuur is verlaagd bij ouderen en rokers en neemt af bij te lang koken. Belangrijk is dat foliumzuur net als vitamine B2 ook een cruciale rol speelt in de DNA-reparatiemechanismes zelf. Bij melanoomcellen had een foliumzuurtekort in vitro een verhoging van de uitzaaiingscapaciteit tot gevolg.

Men weet dat als kanker eenmaal is ontstaan, dat dan nog steeds verdere aantasting van het DNA kan optreden. Vermoedt wordt dat bij het bereiken van een kritische hoeveelheid toenemende DNA-schade dit geleidelijk zou kunnen leiden tot slechtere differentiatie, overgang van goed- naar kwaadaardig, grotere invasieve kracht en grotere neiging tot uitzaaiing. Maatregelen ter beperking van deze voortschrijdende schade zijn gelijk aan die tegen primaire schade. Belangrijk is dat in recente jaargangen van de MEDLINE gemakkelijk informatie is te vinden dat subklinische tekorten een mindere werking van de DNA-reparatie kunnen geven, namelijk van vitamine B2, foliumzuur, magnesium, de combinatie foliumzuur met vitamine B12, choline, zink, enz.



Dubbelblind, placebo gecontroleerd: Een doordacht en waardevol systeem om een geneesmiddel of therapie op de werking te testen. Nadat men in eerder celkweek-, dier- en humaan onderzoek van een stof de mogelijke werkzame dosis en de bijwerkingen voor zover mogelijk heeft bepaald, vaak bij gezonde personen, komt men in de fase van dit finale studietype. Men weet dat een gering deel van de patiënten zeer positief op aandacht, menselijke warmte, geloof in genezing, suggestie, enz. kan reageren, zodanig dat dit een therapeutisch effect kan hebben (het placebo-effect). Ook kunnen vulstoffen van tabletten, enz misschien een bepaald effect opwekken. Bij sommige ziektes kunnen daarnaast spontane fases van stilstand of tijdelijk/langdurig spectaculair herstel optreden die het onderzoek kunnen verwarren, zoals bij bepaalde gewrichtsklachten. Om dit alles af te zonderen van het werkelijke effect van een behandeling geeft men de helft van de patiënten het te testen middel, en de andere helft een sprekend daarop lijkend onwerkzaam nepmiddel (placebo). Om elke psychische beïnvloeding uit te sluiten, zorgt men er voor dat noch de arts, noch de patiënt weten wie wel of niet het echte of het placebomiddel krijgen (dit heet dubbelblind). Om de menselijke neiging uit te sluiten dat een onderzoeker onbewust de gunstige patiënten voor de uitgedachte behandeling selecteert en de minder gunstige voor placebo, is beslist voorgeschreven dat selectie (wie wel of niet het echte middel krijgt) volledig via loting door een onafhankelijk persoon plaatsvindt (randomisatie of gerandomiseerd). Via statistiek kan men berekenen of een eventueel gevonden positief effect aan toeval kan liggen of redelijk zeker kan worden geacht (men weet dat bij kop of munt de kans op munt 50% is, maar het is mogelijk dat iemand vijf keer achter elkaar munt gooit, dit zegt niets over het resultaat, nog steeds 50% kans op munt). De oplossing is iemand honderden malen of vaker te laten gooien, het resultaat nadert dan steeds meer de 50% munt. Via statistische berekeningen weet men of een effect meer dan 95% zeker was, dit noemt men dan significant, dit zegt iets, soms is dit al het geval bij relatief kleine groepen personen, met andere woorden de kans op toeval is minder dan 1 op 20. Beter is natuurlijk hoog-significant, dan is het effect 99% of meer zeker. Soms spreekt men bij tegen de 95% zeker van bijna-significant. Minder dan 90% is beslist onzeker en heet niet-significant. Men stelde soms dat bij voeding en kanker dit type bewijs ontbrak. Dat dit niet meer correct is valt te zien in de sectie kanker en onderzoek, bijvoorbeeld van twee afzonderlijke voedingseffecten bij het sterk verkleinen van de kans op een nieuw recidief bij verwijderde blaaskanker. Nog meer bewijs krijgt men als een onafhankelijk onderzoek in een ander deel van de wereld (met andere leef- en voedingspatronen) tot dezelfde minstens significante conclusie komt.


Enterohepatische cyclus: Zie eerst ontgiftiging. Ongewenste stoffen zoals giffen, carcinogenen en overmaat hormonen, die na een fase-2 ontgiftiging door de lever via het galsysteem zijn afgevoerd naar de darminhoud en gereed zijn om via de ontlasting te worden verwijderd, kunnen door schadelijke darmbacteriën en enzymen in de darm weer ontkoppeld worden en zo hun wateroplosbare karakter verliezen. De darmwand kan ze nu als vetoplosbare stoffen weer gemakkelijk opnemen. Ze gaan na opname door de darmwand in het bloed, dan via de poortader eerst weer naar de lever, worden daar weer via de fase-2 ontgift en dan via de gal weer terug naar de darminhoud getransporteerd. Vervolgens worden ze daar weer ontkoppeld, enz. Aldus kan een ongewenste recycling van schadelijke stoffen ontstaan, dit noemt men de enterohepatische cyclus, die de soms overbelaste fase-2 ontgiftiging extra werk geeft. Om dit te verminderen kan men:


a. Minder vet eten. In minder vette darminhoud verplaatsen de vetoplosbare afvalstoffen zich minder gemakkelijk naar de darmwand om daar opnieuw weer opgenomen te kunnen worden.

 b. Vezelrijker eten. De ongewenste stoffen kunnen zich in de darminhoud aan de onverteerbare vezels binden en vervolgens uit het lichaam verwijderd worden.

 c. Helpen met juiste voeding. Bijvoorbeeld de door de lever via fase-2 aan glucuronzuur gekoppelde, ongewenste stoffen worden via de gal naar de darm vervoerd en daar ongunstig door het enzym beta-glucuronidase weer ontkoppeld. De stof D-glucaarzuur (in kruisbloemige groentes, zoete kersen en citrusvruchten) blokkeert echter dit enzym en voorkomt de ontkoppeling. De ongewenste stoffen verlaten vervolgens op correcte wijze nog steeds aan glucuronzuur gekoppeld het lichaam met de ontlasting.

d. Men moet ervoor zorgen dat de schadelijke darmbacteriën niet teveel aan bod komen en de gezonde darmflora de overhand heeft, bijvoorbeeld door voeding met verteerbare vezels te eten (zitten veel in groente/fruit, haver, gerst, rogge, erwten en linzen), door zoetigheid te vermijden en regelmatig een voedingsmiddel met melkzuurbacteriën of een supplement daarvan in te nemen.


Enzymen: Omdat de lichaamstemperatuur chemisch gezien veel te laag is, kunnen de meeste scheikundige reacties in ons lichaam niet plaatsvinden. In de chemie gebruikt men dan vaak katalysatoren, stoffen die een "onmogelijke" reactie wel mogelijk maken of sterk versnellen zonder er zelf aan deel te nemen. Deze chemische katalysatoren zijn voor de mens echter zwaar giftig of worden in het lichaam direct onactief gemaakt door water, zuurstof, eiwit, enz. In het lichaam wordt de behoefte aan duizenden biochemische reacties voor groei, stofwisseling, energieopwekking, enz toch vervuld, namelijk door enzymen. Enzymen werken net als katalysatoren zodanig dat ze ook steeds weer opnieuw effectief blijven (tot ze vernietigd of vergiftigd worden). Enzymen zijn dus biokatalysatoren die bestaan uit ingewikkelde eiwitketens die zijn opgerold tot kluwens, die de te reageren stoffen invangen. Dit invangen gebeurt zodanig dat precies de plekken van die stoffen die bij de reactie met elkaar zouden moeten botsen ook bij elkaar zijn. Iedere groep reacties heeft zijn eigen enzymen, waar de stoffen als sleutels in een slot inpassen en die miljoenen malen per seconde een reactie kunnen laten verlopen en zelf daarbij intact blijven. De enzymen maken gebruik van hulpenergiedragers, van hulpstoffen (vaak mineralen) en van hulpenzymen (coenzymen). Coenzymen zijn vaak van vitamines afgeleidde stoffen. Ook bevatten diverse enzymen zelf mineralen in hun eiwitkluwens. Men schat dat er 3000 of meer verschillende enzymen in het lichaam zijn. Subklinische tekorten aan bepaalde mineralen of vitamines kunnen dus bepaalde processen schaden omdat ze door te lage enzymconcentraties te weinig kunnen verlopen. De namen van enzymen eindigen vaak op de uitgang -ase. Sommige onderzoekers vermoeden dat diverse soorten tumorcellen in tegenstelling tot gezonde cellen arm zijn aan bepaalde enzymen, zoals bijvoorbeeld aan delta-6-desaturase, nodig voor de omzetting van linolzuur in gamma-linoleenzuur, waaruit weer dihomo-gamma-linoleenzuur ontstaat, en delta-5-desaturase dat dihomo-gamma-linoleenzuur omzet in arachidonzuur. De tumor is hierdoor kwetsbaar voor zijn groei. Door overmaat linolzuur in de voeding, waardoor gezonde cellen teveel arachidonzuur kunnen aanmaken te verwijderen en door ook voeding relatief rijk aan arachidonzuur te vermijden, zou de tumorgroei worden benadeeld. Ook zouden tumorcellen voor hun glycolyse (zie Glucose-opname) gebruik moeten maken van extra glucokinase, een enzym dat verder nauwelijks in het lichaam voorkomt. Erg belangrijk is dat men dit enzym sterk kan remmen met D-mannoheptulose (een suikersoort die relatief veel in avocado's voorkomt). Zo zouden sommige types kankercellen ook andere enzymen gebruiken die in gezonde cellen een minder belangrijke rol spelen, zoals urokinases en metalloproteases die belangrijk zijn voor de tumorcel wat betreft angiogenese, invasiekracht, uitzaaiing enz en waarvan grote hoeveelheden kunnen bijdragen aan een slechte prognose. Door deze enzymen specifiek met medicijnen of voedingsstoffen te blokkeren zou de tumorgroei in problemen kunnen komen met relatief weinig schade aan gezonde cellen. Genisteïne uit sojaproducten zou sleutelenzymen nodig voor celgroei (zoals tyrosine kinases), die ten onrechte teveel gestimuleerd kunnen worden bij celbeschadigingen, kunnen blokkeren door min of meer permanent een sleutelgat te verstoppen. Zie voor grote beperkingen evenwel "In vitro". Interessant is dat butyraat, dat aanwezig is in melkvet en vooral ontstaat uit fermentatie van vezels in de dikke darm, de in de darm aanwezige kankercellen kan hinderen door hun urokinase te blokkeren. Overmaat zuivelproducten moet echter vermeden worden; bij voorkeur moet men wel zeer regelmatig zuivelproducten gebruiken met gunstige melkzuurbacteriën (lactobaccilli).



Glucose opname: Glucose is een voor tumorcellen uiterst belangrijke brandstof, onder andere vanwege een vaak optredend tekort aan zuurstof, waardoor ze slecht vetten kunnen verbranden. Glucose wordt door de tumorcellen zeker in zuurstofarme omgeving niet goed verbrand tot water en koolzuur. Ze "vergisten" het dan slechts tot melkzuur (dit gebeurt in de glycolyse), dat ze weer uit de cel uitstoten. Ze kunnen dus niet altijd zoals bij gezonde cellen door verbranding veel energie uit glucose halen. Er moet voor de glycolyse echter steeds weer opnieuw glucose worden opgenomen, tot 18x zo vaak om dezelfde energie te krijgen als bij verbranding. In vitro vond men belangrijke remming van glucose-opname bij kankercellen door luteoline (bioflavonoïde uit plantaardige voeding, zit relatief veel in artisjok) en D-mannoheptulose (een suikersoort die relatief veel in avocado's voorkomt). Voor grote beperkingen zie "In vitro". Een nadeel is dat tumorcellen veel meer dan gezonde cellen via beschadigde membranen of soms grotere aantallen passieve glucose-transporters misschien andere manieren kunnen vinden om toch aan hun glucose te komen. Veel belangrijker is daarom dat tumorcellen voor hun glycolyse gebruik moeten maken van het specifieke enzym glucokinase, dat normaal nauwelijks in het lichaam voorkomt. Opvallend is dat men dit voor tumoren essentiële enzym sterk kan remmen met hetzelfde D-mannoheptulose dat ook de glucose-opname stoort.


Hyperthermie: Specialistische behandeling waarbij de lichaamstemperatuur fors verhoogd wordt, bijvoorbeeld door onderdompeling in een geleidelijk warmer gemaakt bad (oppervlakkige hyperthermie), om de verdediging van kankercellen tegen een tegelijk toegepaste andere behandeling, zoals chemotherapie, te verlagen. Ook ziet men diepe hyperthermie: dat is locale verwarming van een orgaan of lichaamsdeel (bijvoorbeeld door irrigatie met een warme vloeistof), en tegelijk behandelen met microgolftechnieken, enz. Of interstitiële hyperthermie, waarbij men miniscule applicatoren in het tumorweefsel plaatst, enz.

Immunotherapie: Een therapie met immunostimulerende middelen. Soms is dit een behandeling waarbij men bewust een ontsteking opwekt om de werking van het immuunsysteem te stimuleren. Een bekend voorbeeld hiervan is de BCG-therapie bij blaaskanker.


In vitro: Onderzoek in een reageerbuis of laboratoriumschaaltje, waarbij levende tumor- of gezonde cellen in een groeimedium bijvoorbeeld worden blootgesteld aan allerlei toegevoegde stoffen. Voordeel is dat men belangrijke indicaties krijgt over wat zou kunnen werken en al in welke dosering. Een groot nadeel van in vitro is echter dat een geteste stof bij patiënten soms wel, maar vaak ook niet (net zo als in de reageerbuis) in vivo bij hun cellen zou kunnen terechtkomen. De BEPERKINGEN werken op vier niveaus. Ten eerste: een proef met een ingewikkeld mengsel zoals knoflookextract zegt niet zoveel, omdat in levende systemen niet alle stoffen in deze testverhouding in het lichaam worden opgenomen. Ten tweede is een onzekere factor dat het lichaam vaak stoffen probeert te verwijderen door er wateroplosbare groepen aan te plakken. Dit om zo de meestal vetoplosbare stoffen zodanig wateroplosbaar te maken, dat ze kunnen worden afgevoerd via de urine of via het lever-gal-darmmassa-systeem met de ontlasting. Dikwijls wordt de wateroplosbare groep "sulfaat" of "glucuronide" chemisch aan een stof gebonden. Bijvoorbeeld het belangrijke isoflavon daïdzeïne uit sojaproducten zou grotendeels als daïdzeïnesulfaat in het lichaam aanwezig kunnen zijn. In dat geval zou in vitro onderzoek met daïdzeïnesulfaat veel relevanter dan onderzoek met daïdzeïne zelf kunnen zijn. Ten derde: Het is moeilijk in vitro precies zo zuurstofarm te werken als in lichaamsweefsels. Ten vierde: het grootste nadeel is wel dat het meestal ondoenlijk is om een groot deel van de dag een concentratie van de actieve stof in het lichaam te houden die in vitro nog net voldoende werkzaam was. Men hanteert bij celgroeiremming bijvoorbeeld het begrip IC50, dat is de concentratie, dus de sterkte van de testoplossing waarbij de groeisnelheid van cellen gehalveerd wordt. Dit betekent dat pas bij die concentratie (Inhibiting Concentration) de groeisnelheid gehalveerd wordt. Het merendeel van in vitro onderzoek werkt pas bij zulke hoge concentraties, dat die onhaalbaar zijn in het bloed door veel supplementen in te nemen, los van potentiële bijwerkingen, laat staan hoe men dan 's nachts de hoge concentratie op peil kan houden. Tevens is het uitermate af te raden en gevaarlijk om zelf te dokteren, sommige mensen denken echt dat als twee pillen goed werken, dat 12 dan nog veel beter is. Bij kanker is deskundig medisch advies altijd nodig: bepaalde stoffen zijn uitermate gewenst en zeer belangrijk, maar ook bij overdosis niet zonder bijwerkingen (zoals vitamine A, D3, retinoïden en selenium). Gelukkig zijn concentraties uit belangrijke in vitro onderzoeken soms wel redelijk makkelijk haalbaar via bijvoorbeeld gezonde voeding + suppletie; deze stoffen zullen later op andere delen van de site (kanker en onderzoek) aan bod komen. Zie ook het belangrijke onderdeel synergisme.


In vivo: Onderzoek dat is uitgevoerd met levende proefdieren of bij de mens. Bij sommige proefdieren zijn door genetische manipulatie bepaalde mechanismen, zoals afstoting van ingeplante weefsels, geheel of deels uitgeschakeld waardoor specifieke ziekmakende effecten beter bestudeerd kunnen worden. Soms wordt een menselijke tumor bij dit soort dieren getransplanteerd (dit noemt men een xenotransplantatie; men spreekt ook wel van een xenograft) en daarna meet men het groeiremmend of celdodend effect van geneesmiddelen of van allerlei voedingsstoffen. De resultaten bij proefdieren zijn in veel gevallen belangrijk en ook van toepassing bij de mens, maar er zijn grote verschillen die toch voorzichtige conclusies vereisen. Zo leven knaagdieren maar kort, te kort wellicht om bijvoorbeeld bepaalde minieme oxidatieschade te ontwikkelen die bij de mens wel na vele jaren kan ontstaan. Ook maken de meeste dieren bijvoorbeeld zelf hun eigen vitamine C aan, maar bij de mens kan dit niet. Effecten kunnen soms überhaupt verschillen.


Intercellulaire communicatie: Communicatie tussen cellen. Gezonde cellen hebben hun inwendige celvocht (cytoplasma) met elkaar verbonden via kanaalvormige openingen (gap junctions) in hun celwanden, op de plaatsen waar hun celwanden elkaar raken. Hierdoor worden stofwisselingsproducten, mineraalionen enz. tussen cellen uitgewisseld en kan een vreemde stof over cellen verdeeld worden om gemakkelijker te worden geneutraliseerd. Bij goede intercellulaire communicatie zou de apoptose van gezonde cellen beter verlopen. Afname van differentiatie van cellen kan verlies aan onderlinge communicatie veroorzaken. Veel onderzoek is nog nodig, maar het blijkt dat diverse chemische stoffen die als tumorpromotoren werken (zoals PCB's), dit negatieve effect onder andere veroorzaken door de communicatie tussen de cellen te verstoren. Ook teveel linolzuur heeft dit verstorend effect. Ook blijkt dat als een uitgezaaide tumorcel zich in gezond weefsel wil nestelen, deze invasie moeilijker wordt als de gap junction communicatie in dat weefsel goed functioneert. Het omega-6 vetzuur gamma-linoleenzuur werkt overigens tegen die invasie in vitro erg gunstig. Andere stoffen die de communicatie tussen cellen in vitro bevorderen zijn groene thee, EPA uit visolie, lycopeen (uit tomaten) en andere carotenoïden, curcuma (zit in kerrie), apigenine (algemeen voorkomend flavonoïde in plantaardig voedsel), resveratrol (stof met rode kleur in rode wijn: bij voorkeur toch niet meer dan 1 glas wijn per 2 dagen nemen, dus resveratrol liever als supplement nemen, 1 capsule = rode kleur van diverse flessen wijn), melatonine, enz. Voor grote beperkingen zie "In vitro". Invasie: Het zich nestelen van een uitgezaaide cel in gezond weefsel. Het omega-6 vetzuur gamma-linoleenzuur werkt tegen dit soort invasie in vitro erg gunstig. Ook staat invasie voor de doorgroei van een kwaadaardig gezwel dwars door gezond weefsel, zenuwen, bloedvaten, lymfevaten, enz. Er zijn aanwijzingen dat de vetten DHA en EPA in visolie bij sommige tumorsoorten het proces van geleidelijk invasiever worden zouden kunnen vertragen, terwijl inname van teveel linolzuur juist een versnellende rol zou spelen. Van een aantal voedingsbestanddelen is gevonden:

a. Vertraging van het invasiever worden gevonden van bestaande tumoren

b. Een mindereinvasieve kracht van tumoren die voor het eerst optreden

Dit zijn genisteïne, gamma-linoleenzuur, vezels/butyraat, visolie, curcuma (zit in kerrie), groene thee, ECGC uit groene thee, theaflavine (uit gewone thee), D-limoneen (irriterende stof in sinaasappelschillen en -olie), saponines (uit ginseng), ascorbyl palmitaat, diallyl(di)sulfides (uit knoflook), retinoïden (vitamine A derivaten), enz. Zie voor grote beperkingen "In vitro".


Kruisbloemige groentes: Bevatten belangrijke componenten. Kruisbloemige groentes zijn broccoli, bloemkool, spruitjes, rode-, witte- en groene kool, radijs, boerenkool, lof, koolraap en raapstelen. In zuur geconserveerde voedingsproducten kan men, net als gerookte of in zout geconserveerde voedingsmiddelen beter vermijden, zo ook op goede gronden zuurkool. In de USA zijn supplementen te koop van net uit de grond spruitende broccoliplantjes, die zeer rijk zijn aan actieve stoffen. Zie voor belangrijke effecten van kruisbloemige groentes de onderdelen angiogenese, carcinogenen en ontgiftiging.


Maligne : Kwaadaardig. Een kwaadaardige tumor kan relatief snel en dwars door allerlei barrières heen (invasief) voortwoekeren, en tevens na doorgroei door bloed- en lymfevaten zich makkelijk verspreiden via uitzaaiingen. MEDLINE: Een database met uittreksels (abstracts) in het Engels uit de medische literatuur, lopend van 1966 tot heden. Het bevat niet alle medische abstracts (vooral ook niet van alternatieve geneeskunde), maar wel een redelijk groot deel. Kan op verschillende manieren gratis via het Internet worden aangeroepen. Een makkelijk werkende variant is http://igm.nlm.nih.gov Tevens is hier toegang tot TOXLINE, een belangrijke database waarin men kan opzoeken of van een stof of mengsel een bijwerking of vergiftiging is gemeld.

Melatonine: Dag/nacht-ritme hormoon. Als een persoon in een niet al te lichte ruimte de ogen sluit, dan gaat na korte tijd automatisch de pijnappelklier melatonine produceren. Dit signaleert waarschijnlijk ook de inwendige organen dat het donker is en dat inderdaad de nachtcyclus zal ingaan. Na het openen van de ogen als het vrij licht is minimaliseert weer snel de melatonine-productie en worden de inwendige organen dus weer voorbereid op dagactiviteit. Slapen met een fel nachtlampje is af te raden omdat daardoor de melatonine-niveaus kunnen dalen. Melatonine blijkt één van de beste antioxidanten te zijn. Het kan zelfs het gevaarlijkste vrije hydroxylradicaal HO* de baas, iets wat de natuurlijke anti-oxidantdefensie enzymen juist het slechtst afgaat. Ter vergelijking: de antioxidant vitamine C is te vinden in waterig milieu en zit dus in lichaamsvloeistoffen en in het celvocht (cytoplasma) binnen cellen. De antioxidant vitamine E is vetoplosbaar en is een bewezen beschermer van LDL-cholesterol in het bloed en van alle vetachtige celmembranen: het hoopt zich dus vooral op in de vetachtige buitenkant (phospholipide-structuren) van cellen. Melatonine is zowel water- als vetoplosbaar, en beschermt dus beide milieus, en trekt zich tevens van geen enkele lichaamsbarrière iets aan. Het beschermt dus het celmembraan, maar ook alle structuren binnen in de cel, tot aan het DNA toe tegen oxidatieve (vrije zuurstof-radicaal) schade. Dus melatonine ontlast door preventieve werking de DNA-reparatie-enzymen, wat zijdelings preventief werkt tegen het ontstaan van mutaties en kanker. Maar ook afremmen van toenemende oxidatieve schade aan het DNA bij iemand die al kanker heeft, kan een theoretisch voordeel zijn tegen de verdere progressie van kanker. Er is relatief veel interessant onderzoek naar de toepassing van melatonine bij kanker (zie MEDLINE). Het probleem is dat de productie van melatonine bij veroudering afneemt, en bij sommigen rond het 50e levensjaar al heel sterk. Melatonine zit niet in voeding, behalve als geringe hoeveelheden in volle graanproducten. Het mag wel in de USA vrij verkocht worden (anti-slaapprobleem en anti-jetlag), maar niet in Nederland, vanwege het hormoonbesluit, en is dus alleen op recept verkrijgbaar. Met stoffen als melatonine is het af te raden zelf te experimenteren (met via het Internet besteld materiaal) en altijd een deskundige te raadplegen.


Mitochondria: Dit zijn de energieleveranciers van cellen. Dus aparte celorganellen waarin de verbranding (= reactie met zuurstof) plaatsvindt van voornamelijk vetzuren en suikers tot water en koolzuurgas. Bij deze verbranding ontstaat veel energie maar ook veel uit de mitochondria weglekkende radicalen. Het lichaam heeft verdedigingssystemen zoals enzymen om deze radicalen zoveel mogelijk uit te schakelen, maar een deel van de radicalen heeft al wat minieme schade aangericht voordat ze uitgeschakeld worden. Alle soorten proefdieren die op een laag-calorie dieet gezet werden leven langer dan hun bekende levensverwachting, mogelijk omdat minder radicalen weglekken doordat minder brandstof uit voedsel verbrand wordt.
Mutatie: Een beschadiging van een basepaar in het DNA, die bij celdeling wordt doorgegeven. Een chemische stof of mechanisme (straling, enz) die mutageen uitwerken kunnen, net als radicalen, het DNA beschadigen, waardoor erfelijke informatie kan worden gewijzigd en dus mutaties kunnen ontstaan, of waardoor de cel kan sterven. Een enkele beschadiging aan het DNA wordt puntmutatie genoemd, en dit is verantwoordelijk voor diverse erfelijke ziektes (zoals hemofilie). Bij schade aan een kernzuur (en dus later aan een basenpaar) op zeldzame cruciale plaatsen in het DNA en onvoldoende werking van de effectieve DNA-reparatie mechanismen werkt dit dus mutageen en soms carcinogeen en kan hierdoor dus kanker worden geïnitieerd. Na copiëren van DNA gaat de informatie als RNA naar de celinhoud. Hier is vooral de volgorde van het RNA bepalend voor de aanmaak van eiwitten, enzymen, enz. Uit het RNA volgt bijvoorbeeld de instructie voor aanmaken van een enzym, eiwit, enz en de kernzuurvolgorde in het RNA bestuurt de volgorde van aminozuren in deze stoffen, en drie kernzuren in het RNA is één codon dat codeert voor één aminozuur. De volgorde van aminozuren bepaalt welk eiwit of enzym zal worden gevormd. Bij fouten in het RNA, bijvoorbeeld omwisseling van twee kernzuren (inversie), kan dus een verkeerd aminozuur in enzymen, eiwitten, enz worden ingebouwd, met alle kwalijke gevolgen van dien.
Neoplasmata: Goedaardige en kwaadaardige gezwellen.


Nitroso-amines: Ook nitrosamines genoemd. Dit zijn kankerverwekkende (carcinogene) stoffen, die ontstaan tijdens de spijsvertering in het maagdarmkanaal uit reacties tussen nitriet (ontstaat daar deels uit nitraat dat relatief veel in sommige gr

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Plaats een reactie ...

1 Reactie op "Verklaring van bepaalde medische termen vooral gebruikt bij voedingsinterventie en kanker"

  • Mary :
    Wanneer wordt de lijst vanaf "N"aangevuld ?

Gerelateerde artikelen