11 oktober 2005: Bron: Nutrition Journal 2004, 3:19 doi:10.1186/1475-2891-3-19

We heben niet alle medische termen goed kunnen vertalen dus wie ons nog wat extra vertalingen kan geven graag horen we die van u.

. INHOUD: Samenvatting Achtergrond Over-Consumptie van Energie (Calorieën) Het Metabolisme van Glucose Minder Vezelrijk Rood Vlees De omega 3:6 verhouding Lijnzaad Fruit en Groenten Kruisbloemige Groenten Selenium Chlorofyl Beschermende Vitamines Vitamin B-12 Foliumzuur Vitamine D Antioxidanten a- (alpha) en - (beta) Caroteen en andere Carotenoïden Lycopeen Vitamine C Andere antioxidanten Probiotica Orale Enzymen Gehele Dieet Studies Conclusies: Concurrerende Belangen Referenties (238 studies)

Het originele Engelstalige artikel waarvan wij met toestemming de vertaling maakten is te vinden onder Nutrition Journal 2004, 3:19 doi:10.1186/1475-2891-3-19
Auteur: MD. Michael S Donaldson
Onderzoeksleider Acres Hallelujah Foundation,
13553 Voordeelhwy, Ellensburg,
WA 98926, USA
Nutrition Journal 2004, 3:19 doi:10.1186/1475-2891-3-19
Gepubliceerd - 20 October 2004
© 2004 Donaldson; licensee BioMed Central Ltd.

Samenvatting
Men heeft geschat dat 30% tot 40 % van alle kanker alleen al door levensstijl en voedingsrichtlijnen kan worden voorkomen. Zwaarlijvigheid, voeding met minder voedingstoffen zoals geconcentreerde suikers en geraffineerde bloemproducten die tot een beschadigd glucose metabolisme (dat tot diabetes) leidt, lage vezelopname, consumptie van rood vlees, en onevenwichtigheid van omega 3 en omega 6 vetten, dragen allen bij tot een bovenmatig risico op kanker. Inname van lijnzaad, vooral z'n lignan fractie, en het eten van volop fruit en groenten zullen het risico op kanker verminderen. Allium - (knoflook, ui, prei, en sjalot) en de kruisbloemige groenten zijn vooral gunstig, met broccoli-spruiten die de grootste bron van sulfurofaan zijn. Beschermende elementen in een preventief voedingspatroon tegen kanker zijn selenium, foliumzuur, vitamine B-12, vitamine D, chlorofyl, en anti-oxidanten zoals de carotenoïden (a-carotine, -carotine, lycopeen, luteïne, cryptoxanthin). Ascorbine-zuur (vitamine C) heeft oraal ingenomen beperkte voordelen, maar kan intraveneus wel erg effectief zijn. Supplementair oraal gebruik van spijsverterings-enzymen en probiotica heeft ook effect als voedingstof tegen kanker. Wanneer een voedingswijze volgens de richtlijnen zoals hier beschreven wordt opgebouwd en gevolgd, is het waarschijnlijk dat er minstens 60% tot 70 % minder kans op borstkanker, darmkanker, en prostaatkanker zal zijn, en zelfs een 40% tot 50 % vermindering van longkanker, samen met tegelijkertijd minder kans op kanker op andere plaatsen. Zo’n bepaalde voedingswijze zou bevorderlijk zijn voor het voorkomen van kanker en zou eveneens het herstel van kanker kunnen bevorderen.

Achtergrond
Het gebied van onderzoek naar de rol van voeding in het kankerproces is zeer breed. Het wordt ook steeds duidelijker aangezien steeds meer onderzoek bewijst dat voeding een belangrijke rol in kanker speelt. Het Amerikaanse Instituut voor Kankeronderzoek (American Institute for Cancer Research) en het Wereldfonds van het Kankeronderzoek (World Cancer Research) hebben geschat dat 30% tot 40 % van alle kanker voorkomen kan worden door een passend voedingspatroon, fysieke activiteit, en behoud van het juiste lichaamsgewicht [1]. Procentueel is het waarschijnlijk hoger dan hier genoemd voor sommige individuele kankersoorten. Het grootste deel van het onderzoek naar voeding en kanker is reductionistisch geweest; d.w.z een bepaald voedselpatroon of een voedingsstof werd bestudeerd in relatie tot zijn effect op tumorvorming / tumorregressie of een ander eindpunt van kanker bij/op een bepaalde plaats in het lichaam. Deze studies zijn zeer nuttig in het inzicht krijgen van de details van de mechaniek van deze ziekte. Hoewel ze niet helpen bij het geven van een algemeen beeld hoe kanker te verkomen op voedingsniveau. Zelfs minder, ze vertellen namelijk weinig over hoe te eten wanneer een persoon reeds kanker heeft en volgens een bepaald voedingspatroon zou willen eten dat helpt bij het genezingsproces.

Dit overzicht zal zich op die voedingsfactoren concentreren waarvan wetenschappelijk is aangetoond dat ze bijdragen aan een verhoogd risico op kanker èn op die extra beschermende voedingsfactoren die het risico op kanker verminderen. Tot slot zullen sommige volledige dieetstudies worden vermeld die een vollediger beeld geven van hoe deze individuele voedingsfactoren samenwerken om het risico op kanker te verminderen.

Over-Consumptie van Energie (Calorieën)
Het eten van teveel voedsel is één van de belangrijkste risico factoren voor het krijgen van kanker. Dit kan op twee manieren worden aangetoond: (1) door de extra risico’s van kwaadaardigheid (kanker) veroorzaakt door zwaarlijvigheid, en (2) door het beschermende effect van het eten van minder voedsel. Zwaarlijvigheid heeft in de Verenigde Staten epidemische hoogten bereikt. 64% van de volwassen bevolking is te zwaar of zwaarlijvig [ 2 ]. Ongeveer 1 op de 50 is nu uitermate zwaarlijvig (BMI > 40 kg/m2) [ 3 ]. Mokdad et al [ 4 ] vonden dat een slecht voedingspatroon en fysieke inactiviteit de tweede voornaamste doodsoorzaak (400.000 per jaar in de V.S.) was, en zal waarschijnlijk tabak (roken) als belangrijkste doodsoorzaak voorbijstreven.
In een recente studie, van een prospectieve cohortstudie naar kankerpreventie, werd geschat dat overgewicht en zwaarlijvigheid verantwoordelijk was voor 14 procent van alle kanker sterfgevallen bij mannen en 20 procent van die bij vrouwen [ 5 ]. Significante positieve verbanden werden gevonden tussen zwaarlijvigheid en hogere sterftecijfers voor de volgende kankersoorten: slokdarmkanker, darm- en rectumkanker, leverkanker, galwegkanker, alvleesklierkanker, nierkanker, maagkanker (bij mannen), prostaatkanker, borstkanker, baarmoederkanker, baarmoederhalskanker, en eierstokkanker [ 5 ]. De auteurs schatten dat meer dan 90.000 kankersterfgevallen per jaar zouden kunnen worden vermeden als de volwassen bevolking allen een normaal gewicht zouden handhaven (BMI < 25.0) [ 5 ]. Klaarblijkelijk is zwaarlijvigheid een belangrijke risicofactor voor kanker.

Aan de andere kant, bewerkstelligt zorgvuldige menu planning - getiteld CRON-Calorie Beperking met Optimale Voeding – een goede aanpak. Het basis idee is een verminderde hoeveelheid voedsel (ongeveer 70 tot 80 procent van de vereiste hoeveelheid voor handhaving van een "normaal" lichaamsgewicht te handhaven) te eten terwijl nog steeds alle noodzakelijke hoeveelheden vitaminen, mineralen, en andere noodzakelijke voedingsmiddelen geconsumeerd worden. De enige beperking is de totale hoeveelheid geconsumeerde energie (calorieën). Hoewel deze aanpak best moeilijk te volgen is, heeft deze benadering heel wat wetenschappelijke verdienste voor het mogelijk maken om de gemiddelde levensduur te verlengen van vele soorten dieren met inbegrip van ratten, muizen, vissen, en misschien primaten (wordt momenteel getest in trials). Samen met deze levensduur verlenging wordt een vermindering van chronische ziekten die voor de mensheid gewoon zijn, in Hursting et al [ 6 ] herzien. Een recente meta-analyse van 14 experimentele studies vond dat energie beperking resulteerde in een 55% vermindering van spontane tumoren in laboratoriummuizen [ 7 ] . Calorie beperking remde de groei van ingebrachte borsttumoren in muizen [ 8 ] en onderdrukte de groei van geïnplanteerde tumoren en verlengde overleving bij energie beperkte muizen [ 9 ]. Onder Zweedse vrouwen die voor anorexia nervosa (zeker lagere calorie inname, maar niet adequate voeding) in het ziekenhuis op waren genomen, jonger dan de leeftijd 40, kwam borstkanker 23% minder voor bij kinderloze vrouwen en kwam 76% minder voor bij parous vrouwen (parous betekent dat deze vrouwen minimaal 1 keer zwanger zijn geweest) [ 10 ]. Dus teveel calorieën werkt absoluut averechts, en iets minder dan normaal is zeker gunstig.

Het Metabolisme van de glucose
Geraffineerde suiker bevat een hoge energiewaarde en weinig voedingsstoffen - junkfood. "Ongeraffineerde" suiker (honing, verdampt rietsap, enz.) is ook zeer geconcentreerd en zal waarschijnlijk tot de zelfde problemen bijdragen als geraffineerde suiker. Bij geraffineerde tarwemeel producten ontbreken de tarwekiem en zemelen, zodat zij 78 procent minder vezel bevatten, een gemiddelde van 74 procent minder B-vitaminen en E-vitaminen, en 69 procent minder mineralen (Bron; het USDA Food database, gegevens niet getoond). Geconcentreerde suikers en geraffineerde bloemproducten omvatten een groot gedeelte van de koolhydraat inname van het gemiddelde Amerikaanse voedselpatroon. Één manier om het effect te meten van de impact van dit voedsel op het lichaam is door de glycemic index.
De glycemic index is een indicatie van de reactie van de bloedsuiker van het lichaam op een gestandaardiseerde hoeveelheid koolhydraat in voeding. De glycemic belasting houdt rekening met de hoeveelheid gegeten voedsel. Er is een internationale lijst van de glycemic index en de glycemic belasting gepubliceerd van een grote verscheidenheid in voeding . Case-control studies en prospectieve bevolkingsstudies hebben de hypothese getest dat er een verband is tussen een voedingspatroon met een hoge glycemic belasting en kanker. De Case-control studies hebben een consistent verhoogd risico gevonden van een hoge glycemic belasting bij de kanker soorten: maagkanker [ 12 ], slokdarmkanker [ 13 ], endometrialkanker [ 14 ], eierstokkanker [ 15 ], darmkanker of rectumkanker [ 16.17 ]. De resultaten van de prospectieve studies zijn gemengd. Sommige studies toonden een verhoogd risico van kanker in de gehele cohort met hoge glycemic belasting [ 18-20 ]; sommige studies vonden slechts verhoogd risico onder subgroepen zoals aan één plaats gebonden proefsubjecten met overgewicht [ 21-24 ]; andere studies concludeerden dat er geen verhoogd risico was in elk van hun cohort [ 25-28 ]. Ook al was er geen verband tussen glycemic belasting en darmkanker, borstkanker, of alvleesklierkanker, in de Nurses' Health Study was er nog steeds een sterke link tussen diabetes en darmkanker [ 29 ].
Misschien is de dieet glycemic belasting niet consequent gerelateerd aan glucose beschikking en insuline metabolisme toe te schrijven aan verschillende reacties van individuen op dezelfde glycemic belasting. De hemoglobine van Glycated (HbA1c) is een tijd-geïntegreerde meting van glucose controle, en indirect, van insuline niveaus. Verhoogd risico in darmkanker werd gezien in de EPIC-Norfolk-studie met stijgende HbA1c; proefpersonen met bekende diabetes hadden drievoudig verhoogd risico van darmkanker [ 30 ]. In een cohortstudie in de provincie Washington, Maryland, werd een verhoogd risico van darmkanker gezien bij proefpersonen met verhoogd HbA1c, BMI > 30 kg/m2, of wie medicijnen gebruikte om diabetes te controleren [ 31 ] . Alhoewel, glycated hemoglobine niet werd gezien als associatie met een verhoogd risico op darmkanker in een kleine deel case-control studie binnen de Nurses' Health Study [ 32 ]. Verhoogd vasten glucose, vasten insuline, 2 uren niveaus van glucose en insuline na een orale glucose inname, en grotere taille omtrek, werden geassocieerd met een hoger risico op darmkanker [ 33 ]. In veelvoudige studies is diabetes gelinkd met een verhoogd risico op darmkanker [ 34-37 ], endometrial kanker [ 38 ], en alvleesklierkanker [ 35.39 ]. Het is duidelijk dat strenge deregulatie van het glucose metabolisme een risicofactor voor kanker is. Voeding wat bijdraagt tot hyperinsulinemia, zoals geraffineerde suiker, voedsel wat geraffineerde suiker bevat, en geraffineerde bloemproducten, moeten worden vermeden en worden geëlimineerd uit een kanker beschermend voedingspatroon Minder Vezelrijk Vooral ongeraffineerd plantaardig voedsel heeft een overvloed aan vezel. Zuivelproducten, eieren, en vlees hebben allen dit gemeenschappelijk - zij bevatten geen vezel. Bij geraffineerde graanproducten is ook het grootste deel van de voedingsvezel verwijderd. Dus, een voedingswijze met veel dierlijke producten en geraffineerd graan (een typische voedingswijze in de Verenigde Staten en/of Westerse samenlevingen) bevat weinig vezel. In prospectieve gezondheidsstudies werd gevonden dat weinig vezel geen risico vormde voor borstkanker [ 25 ]. Het is mogelijk dat de vezelmetingen enkel een surrogaat maatregel zijn voor ongeraffineerde inname van plantaardig voedsel. Slattery et al [ 40 ] vonden een omgekeerde correlatie tussen groente, fruit en hele granen inname en rectumkanker, terwijl geraffineerd graan geassocieerd werd met een verhoogd risico op rectumkanker. Een hoeveelheid van ongeveer 5 dagelijkse porties groenten was nodig om het risico op kanker te verminderen en het effect was sterker onder oudere proefpersonen [ 40 ]. Veel andere voedingsmiddelen zijn mede varianten van vezel, inclusief foliumzuur, dat hieronder in detail behandeld wordt. Rood Vlees Rood vlees heeft een aandeel in het ontstaan van darm- en rectumkanker. Een Medline onderzoek in Februari 2003 bracht 26 rapporten van menselijke studies aan het licht welke onderzoek deden naar het verband tussen voeding en darm- en rectumkanker. Van de 26 rapporten, vermelden 21 van deze studies een significant positief verband tussen rood vlees en darm- en rectumkanker [ 17.41-64 ]. Een recente meta-analyse vond ook een belangrijke associatie tussen rood vlees, en verwerkt vlees, en darm- en rectumkanker [ 65 ]. Vlees en heterocyclische aminen die bij het koken worden gevormd, zijn eveneens gecorreleerd met borstkanker in een case-control studie in Uruguay [ 66 ]. De omega 3:6 Verhouding Het is aangetoond in studies met dieren dat Omega 3 vetten (alpha--linolenic zuur, EPA, DHA) beschermen tegen kanker, terwijl omega 6 vetten (linoleic zuur, arachidonic zuur) kanker bevorderende vetten zijn. Nu zijn er verscheidene studies geweest die deze hypothese met betrekking tot borstkanker hebben getest, samengevat in Tabel 1. Behalve de studie door Londen et al [ 67 ], vonden elk van deze studies een verband tussen een hogere verhouding van N-3 tot N-6 vetten en een verminderd risico op borstkanker. Lange keten (long chain) N-3 en N-6 vetten hebben een verschillend effect op de borsttumorremmende genen BRCA1 en BRCA2. Behandeling van borstcelculturen met N-3 vetten (EPA of DHA) resulteert in verhoogde expressie van deze genen terwijl het arachadonic zuur geen effect [ 68 ] had. De lijnzaadolie en DHA (uit een algenbron) kunnen allebei worden gebruikt om de opname van N-3 vetten te verhogen, met DHA zijnde een efficiëntere, betrouwbaardere bron. Lijnzaad Lijnzaad levert veel voedingstoffen vanuit dit kleine bruine of gouden - met een harde laag omringd zaad. Het is een uitstekende bron van voedingsvezels, Omega vet 3 (als alpha--linolenic zuur), en lignans. Lignans in lijnzaad worden gemetaboliseerd in het spijsverteringskanaal naar enterodiol en enterolactone, die oestrogenische activiteit hebben. In feite is het lijnzaad een krachtigere bron van phytoestrogenen dan sojaproducten, aangezien de lijnzaadopname een grotere verandering veroorzaakt.in de afscheiding van 2-hydroxyestrone in vergelijking met soja eiwitten [ 69 ] Bodem lijnzaad is onderzocht voor zijn effect op kanker, met inbegrip van verscheidene uitstekende studies door het onderzoeksteam van Lilian Thompson's op de Universiteit van Toronto. In één studie werden lijnzaad, zijn lignan fractie, of olie toegevoegd aan het dieet van muizen die eerder een chemisch carcinogeen (kankercellen) waren toegediend om kanker te veroorzaken. Alle drie de behandelingen verminderden de verwachte tumorgroei; de lignan fractie die secoisolariciresinol diglycoside (SDG) bevat en het lijnzaad verminderde ook het uitzaaiïngsproces [ 70 ]. In een andere studie werd het lijnzaad lignan SDG gegeven aan muizen beginnende 1 week na de behandeling met carcinogeen dimethylbenzanthracene. Het aantal ontstane tumoren per rat werd verminderd met 46% in vergelijking met de controlegroep in deze studie [ 71 ]. Het vlas of zijn lignan (SDG) werd getest om te zien of zij melanoom uitzaaiïngen zouden verhinderden. Het lijnzaad of de lignan fractie werd gegeven aan muizen twee weken vóór en na injectie van melanoom cellen. De lijnzaad behandeling (bij 2.5%, 5%, of 10% van de voedingsopname) resulteerde in 32 %, 54 %, en 63 % vermindering in het aantal tumoren, in vergelijking met de controlegroep [ 72 ]. SDG, gevoed in hoeveelheden gelijkwaardig aan de hoeveelheden 2.5%, 5%, of 10% lijnzaad, verminderde ook het aantal tumoren, vanaf een mediaan aantal van 62 in de controlegroep tot respectievelijk 38, 36, en 29 tumoren per muis in de SDG groepen [ 73 ]. Meer recent bestudeerde Thompson' onderzoeksteam muizen die met de menselijke cellen van borstkanker werden ingespoten. Na de injectie kregen de muizen een basisdieet (laboratorium muis voedsel - lab mouse chow) gedurende 8 weken terwijl de tumoren groeiden. Daarna zette één groep het basisdieet voort en een andere kreeg een 10% lijnzaad dieet. Het lijnzaad verlaagde het tumorgroei percentage en verminderde de uitzaaiïngen met 45% [ 74 ]. Het is aangetoond dat lijnzaad borstklier morfogenese of differentiatie bij muizen verbetert. Voedende moederdieren (muizen) werden gevoed met het 10% lijnzaaddieet (of een gelijkwaardige hoeveelheid SDG). Na het spenen van de nakomelingen werden de muizen gevoed met een algemeen laboratoriumdieet voor muizen. De onderzoekers onderzochten toen de vrouwelijke nakomelingen en vonden een verhoogd aantal terminale eindkiemen en terminale kanalen in hun borstklieren met meer plaveiselcel proliferatie, allen toonden aan dat de borstklier differentiatie werd verbeterd [ 75 ]. Toen deze vrouwelijke nakomelingen met een carcinogeen werden ingespoten om borstkliertumoren te veroorzaken was er een beduidend lagere weerslag van tumoren (respectievelijk 31% en 42% lager in het lijnzaad en de SDG groepen), beduidend lagere tumor belasting (respectievelijk 51% en 62% lager in het lijnzaad en de SDG groepen ), beduidend lagere gemiddelde tumorgrootte (respectievelijk 44% en 68% lager in het lijnzaad en de SDG groepen ), en beduidend lager tumoraantal (respectievelijk 47% en 45% lager in het lijnzaad en de SDG groepen) [ 76 ]. Dus, konden lijnzaad en zijn lignan tumorgroei verminderen (allebei in aantal en grootte van tumors), uitzaaiïngen verhinderen, en zelfs verhoogde differentiatie veroorzaken van muizen borstweefsel in zuigelingsmuizen, waardoor de nakomelingen minder vatbaar voor carcinogenese waren zelfs wanneer geen lijnzaad producten werden geconsumeerd Andere onderzoekers hebben lijnzaad en prostaatkanker getest. In een dierlijk model m.b.v muizen vonden Lin et al [ 77 ] dat een voedingswijze, gesupplementeerd met 5% lijn, de groei en de ontwikkeling van prostaatkanker in hun experimenteel muismodel remde. Een pilot onderzoek van 25 mannen die voor een prostaatoperatie ingeroosterd stonden werden opgedragen om een laag vetgehalte dieet (20% of minder van energie inname) te eten en dit met 30 g grond lijnzaad per dag aan te vullen. Tijdens de follow-up van gemiddeld 34 dagen waren er significante veranderingen in serum cholesterol, totaal testosteron, en de vrije androgen index [ 78 ]. De gemiddelde proliferatie index van de experimentele groep was beduidend lager en de apoptotische indexen (zelfdoding van de kankercellen) hoger in vergelijking met historische vergelijkende controles. Grond lijnzaad kan een zeer effectieve voeding zijn voor mannen die worstelen met prostaatkanker. Alhoewel, een meta-analyse van negen cohort en case-controle studies een verband openbaarde tussen inname van de lijnzaadolie of hoge bloedniveaus van alpha--linolenic zuur en prostaatkanker risico [ 79 ]. Het is vrij waarschijnlijk dat lignans in lijnzaad een belangrijke component zijn binnen lijnzaad' anti-kanker effecten zodat lijnzaadolie zonder lignans niet erg effectief is. Sommige merken van lijnzaadolie bevatten nog enkele specifieke zaden wegens de voordelige eigenschappen van lignans.

Fruit en Groenten
Één van de belangrijkste bevindingen van recent voedingsonderzoek is dat een voedingswijze rijk aan fruit en groenten tegen kanker beschermt. (De belangrijkste bevinding is dat een zelfde voedingswijze ook tegen bijna alle andere ziekten, met inbegrip van hart- en vaatziektes en diabetes, beschermt) Er zijn vele mechanismen waardoor de vruchten en de groenten beschermend zijn en een enorme hoeveelheid onderzoek ondersteunt de aanbeveling voor mensen om meer fruit en groenten te eten. Block et al [ 80 ] herzag ongeveer 200 studies naar kanker en fruit en plantaardige inname. Een statistisch significant beschermend effect van vruchten en groenten werd gevonden in 128 van 156 studies die relatieve risico's gaven. Voor de meeste kanker, mensen in het lagere kwartiel (1/4 van de bevolking) dat de minste hoeveelheid vruchten en de groenten aten hadden tweemaal het risico op kanker in vergelijking met hen hadden in het hogere kwartiel die de meeste vruchten en de groenten aten. Zelfs in longkanker, na het geven van rekenschap aan roken, toename van vruchten en groenten vermindert longkanker; een extra 20 tot 33 procent vermindering in longkankers wordt geschat [1 ]. Steinmetz en Potter herzagen het verband tussen vruchten, groenten, en kanker in 206 menselijke epidemiologische studies en 22 dierlijke studies [ 81 ]. Zij vonden het "bewijsmateriaal voor een beschermend effect van hogere groente en fruitconsumptie consistent is voor kanker van maag, slokdarm, long, mondholte, farynx, endometrium, alvleesklier, en colon." Groenten, in het bijzonder de rauwe groenten, werden beschermend gevonden; 85% van de studies die rauwe plantaardige consumptie betwijfelden vonden een beschermend effect. Allium groenten (knoflook, ui, prei, en sjalot), wortelen, groene groenten, kruisbloemige groenten, en tomaten hadden ook een behoorlijk consistent beschermend effect [ 81 ].
Allium groenten (knoflook, ui, prei, en sjalot) zijn bijzonder machtig en zijn afzonderlijk beschermend gevonden voor maag en colorectal kanker [ 82.83 ] en prostaat kanker [ 84 ] Er zijn vele substanties die in vruchten en groenten beschermend zijn, zodat het volledige gehele effect niet zeer waarschijnlijk toe te schrijven zal zijn aan één enkele voedingsstof of plantkundige stof Steinmetz en de Potter maakten een lijst van mogelijke beschermende elementen: dithiolthiones, isothiocyanates, indool-32-carbinol, alliumsamenstellingen, isoflavonen, protearemmers, saponienen, fytosteroiden, inositol hexaphosphate, vitamine C, D-Limoneen, luteïne, folium zuur, bètacaroteen (en andere carotenoïden), lycopeen, selenium, vitamine E, flavonoiden, en voedingvezels [ 81 ].

Een gezamenlijk rapport door World Cancer Research Fund en the American Institute for Cancer Research vonden overtuigend bewijsmateriaal dat een hoog fruit en een plantaardige voedselpatroon, mond en keelkanker, slokdarmkanker, longkanker, maagkanker, en darm- en rectumkankers zouden verminderen: bewijsmateriaal van waarschijnlijke risicovermindering werd gevonden voor kanker van het strottehoofd, de alvleesklier, de borst, en de blaas [ 1 ].
Veel van de recente rapporten van prospectieve studies op basis van de bevolking van voedingspatroon en kanker hebben niet dezelfde beschermende effecten van vruchten en groenten gevonden die vroeger werden gemeld in epidemiologische en case-control studies [herzien in ]. Één verklaring is dat het geheugen van mensen van wat zij in een case-cohort studie aten door hun ziekteperiode misschien zou kunnen zijn aangetast. Een ander probleem zou kunnen zijn dat de vragenlijsten over de voedselfrequentie (FFQ) die worden gebruikt om voedsel inname te meten niet nauwkeurig genoeg zouden kunnen zijn om verschillen te ontdekken. Een dergelijk probleem werd genoteerd in de EPIC studie bij Norfolk, UK site. Bij gebruikmaking van een voedselagenda vonden de onderzoekers een significante correlatie tussen verzadigde vette inname en borstkanker, maar bij gebruik makende van de FFQ was er geen significante correlatie [ 86 ]. Dus, onnauwkeurige meting van fruit en plantaardige inname zou eveneens deel van de verklaring kunnen uitmaken.
Het moet opgemerkt worden dat veel van de grotere hoeveelheden in te nemen fruit en groenten in deze studies gewoonlijk binnen het bereik zijn en te volgen zijn van wat de mensen binnen een Amerikaanse - Westerse voedingswijze normaal gesproken dagelijks eten. In de Nurses Health Study waren de hogere kwartiel van fruit en plantaardige inname respectievelijk 4, 5 en 6,2 porties per dag [ 87 ]. Op dezelfde manier waren de hogere kwartiel van fruit en plantaardige inname in de Health Professionals follow-up studie respectievelijk 4,3 en 5,4 porties per dag voor vruchten en groenten [ 87 ]. Het eten van fruit en groenten binnen het Hallelujah dieet zijn veel hoger, met gemiddeld gemelde inname van 6 porties fruit (646 gram per dag) en 11 porties groenten per dag (971 gram per dag) [ 88 ] naast een groen poeder van het sap van gerstbladeren en alfalfa dat gelijkwaardig is aan ongeveer nog eens 100 gram per dag vers donker groen (rauwkost). Dus is het zeer goed mogelijk dat het bereiken van voldoende fruit en groenten in de prospectieve bevolkings gebaseerde studies niet voldoende is om het juiste mogelijke effect van een extra hoge inname van fruit en groenten op het studieresultaat te meten en om zo het risico op kanker te ontdekken.

Kruisbloemige Groenten
Kruisbloemige groenten (broccoli, bloemkool, kool, spruitjes) bevatten sulforophane, wat bepaalde eigenschappen tegen kanker heeft. Een case-control studie in China vond dat inname van kruisbloemige groenten, welke door urineafscheiding van isothiocyanates werd gemeten, een omgekeerd verband liet zien met het risico op borstkanker; het kwartiel met de hoogste opname had slechts 50% van het risico van de laagste innamegroep [ 89 ]. In de Nurses' Health Study werd een hoge inname van kruisbloemige groenten (5 of meer porties per week versus minder dan twee porties per week) geassocieerd met een 33% lager risico op non-Hodgkin's lymfomen [ 90 ].

Blaaskanker werd in de Health Professionals follow-up studie slechts zwak geassocieerd met weinig inname van vruchten en groenten, maar veel inname (5 of meer porties per week versus 1 of minder porties per week) van kruisbloemige groenten werd geassocieerd met een statistisch significante daling van blaaskanker met 51% [ 91 ]. Ook, werd een vermindering van het risico op prostaatkanker gevonden door consumptie van kruisbloemige plantaardige consumptie in een op de bevolking gebaseerde case-control studie, uitgevoerd in de westelijke staat Washington. Drie of meer porties per week, in vergelijking met minder dan één portie per week van kruisbloemige groenten per week resulteerde in een statistisch significante daling van het risico op prostaatkanker van 41% [ 92 ]. Gelijkwaardige beschermende effecten van kruisbloemige groenten werden gezien in een multi-etnische case-control studie [ 93 ].
Een prospectieve studie in Shanghai, China vond dat de mensen met opspoorbare hoeveelheden isothiocyanates in hun urine (metabolische producten afkomstig uit kruisbloemige groenten) een 35% verminderd risico op longkanker hadden. Onder mensen die één of twee genetisch polymorfisme hadden waardoor ze deze isothiocyanates langzamer konden elimineren was er respectievelijk een 64% of 72% verminderd risico op longkanker 94 ]. De spruiten van broccoli hebben een zeer hoge concentratie van sulforophane aangezien deze samenstelling in het zaad voortkomt en niet wordt gemaakt in het gewas gedurende de groei [ 95, 96 ]. Één spruit bevat alle sulforophane die aanwezig is in een volgroeide broccoli stronk. Dus, als sulforophane bijzonder kankerbeschermend is, zou het redelijk zijn om sommige broccolispruiten in een voedingswijze tegen kanker op te nemen.

Selenium
Selenium is een mineraal met antioxidante eigenschappen. Vele studies de laatste jaren hebben aangetoond dat selenium een machtig beschermende voedingsstof is tegen één of andere vormen van kanker. Het Kanker Centrum van Arizona plaatste een feitelijk selenium overzicht betreffende de belangrijkste functies van selenium in het lichaam [ 97 ]. Deze functies zijn als volgt:

1. Selenium is aanwezig in de actieve plaats van vele eiwitten, met inbegrip van thioredoxin reductase, die de oxydatie reducerende reacties katalyseren. Deze reacties kunnen kankercellen aanmoedigen om apoptosis = zelfdoding te doen.
2. Selenium is een component van het anti-oxyderende eiwit glutathione peroxidase.
3. Selenium verbetert het vermogen van het immuunsysteem om besmettingen tegen te gaan.
4. Selenium stimuleert de vorming van natuurlijke killercellen (witte bloedlichaampjes o.a..)
5. P450 enzymen in de lever kunnen door selenium worden gestimuleerd/gevormd, dat tot ontgifting van sommige carcinogene molecules leidt.
6. Selenium gaat prostaglandines tegen die ontstekingen veroorzaken.
7. Selenium verbetert mannelijke vruchtbaarheid door verhoogde sperma beweeglijkheid.
8. Selenium kan het tempo van de tumorgroei verminderen.

Een op bepaalde te onderzoeken toevalligheden gebaseerde gerandomiseerde, dubbelblinde, gecontroleerde trial van 200 mg per dag selenium supplement in het zuidoostelijke gebied van de V.S. (waar niveaus van het grond selenium laag zijn) vond dat de primaire eindpunten van huidkanker niet door het selenium supplement werden verbeterd, maar dat de snelheden (verhoudingen) van andere voorkomende kankergevallen door selenium waren verminderd [ 98, 99 ] . Er waren significant minder gevallen van diverse kankersoorten (105 versus 137 gevallen, P = 0.03), prostaatkanker (22 versus 42 gevallen, P = 0.005), een marginaal significante vermindering van darmkanker gevallen (9 versus 19 gevallen, P = 0.057), en een vermindering van het mediane kankersterftecijfer, geldend voor alle kankersoorten (40 versus 66 sterfgevallen, P = 0.008) (= selenium tegenover respectievelijk gemelde gevallen van de controlegroep) [ 98 ].
Het selenium supplement was het meest efficiënt bij ex-rokers en voor zij die deze studie begonnen met de laagste niveaus van selenium in het bloed. Verscheidene prospectieve studies hebben ook de rol van selenium in kankerpreventie onderzocht, in het bijzonder voor prostaatkanker, samengevat in Tabel 2.

Over de hele linie blijkt dat een slecht selenium niveau, vooral voor mannen, een risico op kanker te zijn. Als een persoon een laag seleniumniveau heeft en ook andere anti-oxyderende bescherming laag is wordt het risico op kanker nog verder verhoogd. Vrouwen schijnen niet zo gevoelig te zijn voor selenium, aangezien in verscheidene studies niet werd gevonden dat borstkanker beïnvloed werd door de selenium status [100-104 ], hoewel gevonden werd dat zowel mannen als vrouwen door hogere niveaus van selenium beschermd waren tegen darmkanker [ 100 ] en longkanker [ 105, 106 ]. Goede vegetarische bronnen van selenium zijn gehele granen en peulvruchten verbouwd in selenium-rijke grond in het westen van de Verenigde Staten, paranoten (veruit de grootste bron van selenium), voedingsgist, brouwersgist, en zonnebloempitten.

Chlorofyl
Alle groene planten bevatten ook chlorofyl, de licht verzamelende molecule. Het chlorofyl en zijn derivaten zijn zeer efficiënt bij het binden van polycyclicsche aromatische koolwaterstoffen (carcinogenen grotendeels van onvolledige verbranding van brandstoffen), heterocyclische aminen (geproduceerd door het grillen van voedsel), aflatoxin (een toxine van schimmel in voedsel die leverkanker veroorzaakt), en andere hydrofobische moleculen. Het chlorofyl-carcinogene complex is veel moeilijker voor het lichaam te absorberen, zodat het grootste deel meegevoerd wordt met de ontlasting. Het chemo beschermende effect van chlorofyl en zijn derivaten is getest in (gekweekte) laboratorium celculturen en dieren [ 107,108 ]. Er is zo veel overtuigend bewijsmateriaal voor anti-carcinogene gevolgen van chlorofyl dat een prospectieve gerandomiseerde gecontroleerde trial wordt uitgevoerd in Qidong, China om te zien of chlorofyl de hoeveelheid gevallen van leverkanker kan verminderen, die het gevolg zijn van aflatoxin blootstelling in hun voedsel (graan, pinda's, sojasaus, en vergiste sojabonen). Er werd een vermindering van 55% gevonden in aflatoxin-DNA aanvoer in de groep die 100 mg chlorofyl drie keer per dag nam [ 109 ]. Men veronderstelde dat chlorofyl aflatoxins samenbond, maar er waren chlorofyl derivaten die ook in het bloed (die een groene tint hadden) worden ontdekt van de vrijwilligers die het supplement namen, dat op een mogelijke rol in het lichaam wijst naast het binden van carcinogenen in de darm [ 110 ]

Beschermende Vitamines
Vitamin B-12
Van Vitamine B-12 is het niet bewezen dat het een anti-kanker werking heeft, maar er is wat bewijsmateriaal dat erop wijst dat het voordelig zou kunnen zijn. De vorm van toegediende vitamine B-12 kan belangrijk zijn. Sommige experimentele kankerstudies zijn uitgevoerd met diverse vormen van vitamine B-12. Methylcobalamin remde de tumorgroei van SC-3 die in muizen wordt ingespoten [ 111 ], en veroorzaakte muis SC-3 borsttumorcellen om apoptosis = zelfdoding te ondergaan, zelfs wanneer deze werden aangemoedigd om te groeien door de aanwezigheid van groei-veroorzakende androgen [ 112 ]. Methylcobalamin, maar niet cyanocobalamin, verhoogde de overlevingstijd van muizen die de geïnplanteerde cellen van leukemietumoren dragen [ 113 ]. 5'-Deoxyadenosylcobalamin en methylcobalamin, maar niet cyanocobalamin, werden als werkzaam aangetoond tegen cytotoxiciteit [ 114 ] (cytotoxiciteit = bijwerkingen van chemokuren). Methylcobalamin kon ook de overlevingstijd verlengen en de tumorgroei in laboratoriummuizen verminderen [ 115 ].
Mechanisch laboratorium bewijsmateriaal voor de effecten van vitamine B12 werd gezien in een laboratorium studie met ratten met een vitamine B-12 tekort . Choi et al [ 116 ] vonden dat de DNA van de dikke darm van de B-12 gebrekkige ratten, een 35% daling van genomic methylation en een 105% verhoging van uracil integratie hadden, beide veranderingen die het risico van carcinogenese kunnen verhogen. In twee prospectieve studies (een in Washington Country, Maryland en de Nurses' Health Study) werd een relatie gevonden tussen een lagere vitamine B-12 status (maar geen tekort) en een statistisch significant hoger risico op borstkanker [ 117, 18 ]. Dus is er bewijsmateriaal van laboratoriumstudies, prospectieve cohortstudies en mechanistische studies, die aantonen dat vitamine B-12 een belangrijke voedingsstof is voor genetische stabiliteit, de reparatie van DNA, carcinogenese, en therapeutische behandelingen van kanker.

Foliumzuur
Foliumzuur is de donkergroene bladgroente vitamine. Het heeft een integrale rol in methylatie van DNA en de synthese van DNA. Foliumzuren werken samen met vitamine B-6 en vitamine B-12 in de enige koolstof methylcyclus. Als onvoldoende foliumzuur niet beschikbaar is wordt in DNA uracil gesubstitueerd door thymidine wat leidt tot de bundelbreuk van DNA. Ongeveer 10% van de bevolking van de V.S. (en hogere percentages onder de armen) krijgt beduidend te lage hoeveelheden van foliumzuur binnen zodat dit een algemeen probleem lijkt te zijn [ 119 ]. Zoals aangetoond in tabel 3 en 4, hebben vele studies een significante vermindering van darmkanker, rectumkanker, en borstkanker gevonden bij hogere innamen van foliumzuur en hun verwante voedingsmiddelen (vitamine B-6 en B-12). Alcohol is een vijand van folate, zodat het drinken van alcoholische dranken het risico op kanker veder vergroot door een laag-folate voedingspatroon. Genetische polymorfisme (gemeenschappelijke enkelvoudige DNA basis veranderingen die resulteren in een verschillend aminozuur dat in een eiwit wordt gecodeerd) in methylenetetrahydrofolate reductase en de methionine synthase genen, die de relatieve hoeveelheid folate beschikbaar voor de DNA synthese verhogen en zorgt voor reparatie van DNA, vermindert ook het risico van darmkanker [ 120-123 ]. Cravo et al [ 124 ] gebruikten 5 mg foliumzuur per dag (een boven fysiologische dosis) in een prospectieve, gecontroleerde, cross-over studie van 20 patiënten met dikke darm poliepen van het adenoma type. Zij vonden dat het foliumzuur in 7 van de 12 patiënten die slechts één poliep hadden hypomethylation van het DNA kon doen omkeren. Folate kan belangrijk zijn voor weefsel wat snel deelt, zoals bij mucosa van de dikke darm. Daarom is het risico op kanker verbonden aan een lage folate inname waarschijnlijk hoger voor darmkanker dan voor borstkanker. De meeste borstkanker studies vonden slechts een beschermend effect van folate onder vrouwen die alcohol gebruikten (zie Tabel 4). Nochtans, onder vrouwen, ingezetenen van Shanghai, die geen alcohol en geen vitamine supplementen gebruikten en onverwerkt natuurlijk voedsel aten, was er een 29% verminderd risico op borstkanker onder juist die vrouwen met de hoogste inname van folate [ 125 ]. Dus, kan er een echt beschermend effect zijn dat in de westelijke bevolking door veel andere risico factoren wordt gemaskeerd. Twee studies toonden aan dat het risico van kanker welke toe te schrijven is aan erfelijkheid door een hoge folate inname kan worden gewijzigd, zodat een verstandige voedingswijze – een voedingspatroon tegen kanker - veel donkergroene bladgroenten moet bevatten. De gemiddelde inname van foliumzuur bij het Hallelujah Dieet was 594 ug per dag voor mannen en 487 ug per dag voor vrouwen [ 88 ].

Vitamine D
Vitamine D wordt hoofdzakelijk geproduceerd uit de blootstelling van de huid aan zonneschijn. Zelfs toevallige blootstelling van het gezicht, de handen, en armen in de zomer produceert een grote hoeveelheid vitamine D. In feite, is gesimuleerde zonneschijn, gelijkwaardig aan het staan op een zonnig strand totdat de huid licht roze wordt, gelijkwaardig aan een orale dosis van 20.000 IU vitamine D2 [ 126 ]. (Merk op dat de dagelijkse voorgeschreven hoeveelheid 400 IU is voor de meeste volwassenen) Men heeft geschat dat 1.000 IU per dag minimaal nodig is om adequate niveaus van vitamine D te handhaven bij gebrek aan zonneschijn [ 126 ], en dat tot 4.000 IU per dag veilig kunnen worden gebruikt met extra positief effect [ 127 ].
De concentratie van de actieve hormonale vorm van vitamine D wordt strak geregeld in het bloed door de nieren. Deze actieve hormonale vorm van vitamine D heeft krachtige eigenschappen tegen kanker. Men heeft ontdekt dat diverse types van normale- en kankerweefsels, met inbegrip van prostaatcellen [ 128 ], darmkankerweefsel [ 129 ], borst-, eierstok- en baarmoederhalsweefsel [ 130 ], alvleesklierweefsel [ 131 ] en een lijn van een longkankercel [ 132 ] allen de capaciteit hebben om de belangrijkste circulerende vorm van vitamine D, 25(OH)D, in de actieve hormonale vorm, 1,25(OH)2D om te zetten. Dus, is er een lokaal mechanisme in vele weefsels en organen van het lichaam actief aanwezig voor het omzetten van de vorm van vitamine D in het lichaam, dat wordt verhoogd door zonneschijn blootstelling, in een hormoon dat bescherming tegen kanker oplevert. Inderdaad is aangetoond dat 25(OH)D de groei van epitheliaale cellen (plaveiselcellen) van de dikke darm [ 133 ], primaire prostaat epitheliaale cellen [ 134 ], en alvleeskliercellen [ 131 ] remt. Dus bevestigen laboratoriumstudies wat een tijdje geleden werd geconstateerd in ecologische studies onder de bevolking en het effect van blootstelling aan zonneschijn.

De sterftecijfers voor darmkanker, borstkanker, en eierstokkanker in de V.S. tonen een duidelijke noord-zuid gradering [ 135 ]. In ecologische studies van bevolking en zonlichtblootstelling (geen individuele gegevens) is gevonden dat zonlicht een beschermend effect heeft voor prostaatkanker [ 136 ], eierstokkanker [ 137 ], en borstkanker [ 138 ]. Onlangs vond Grant dat zonlicht ook beschermend was voor blaaskanker, endometrische kanker, nierkanker, Multiple Myeloma = Kahler, en non-Hodgkin lympfomen in Europa [ 139 ] en blaaskanker, slokdarmkanker, nierkanker, longkanker, alvleesklierkanker, rectumkanker, maagkanker, en baarmoederhalskanker in de V.S. [ 140 ]. Verscheidene prospectieve studies van vitamine D en kanker hebben ook een beschermend effect van vitamine D getoond (zie Tabel 5). Het zou kunnen zijn dat de zonneschijn en vitamine D beschermende factoren voor kanker van vele organen die factoren zijn die 25(OH)D in 1,25(OH)D2 kunnen omzetten.

Antioxidanten
a- (alpha) en - (beta) Caroteen en andere Carotenoiden Carotenoïden zijn veelvuldig bestudeerd om te zien of deze kleurrijke samenstellingen het risico op kanker kunnen verminderen. In ecologische studies en vroege case-control studies bleek dat Beta-caroteen een kanker-beschermend middel was. Willekeurig gecontroleerde trials van Beta-caroteen vonden dat het geïsoleerde voedingsmiddel of neutraal [ 141 ] was of eigenlijk het risico van longkanker bij rokers verhoogde [ 142.143 ]. Beta-carotene kan een markeerboei zijn via inname van vruchten en groenten, maar het heeft geen krachtig beschermend effect in geïsoleerde farmacologische dosissen. Hoewel, er is veel literatuur dat erop wijst dat de voedingscarotenoïden kanker kunnen voorkomen (zie Tabel 6). Er is gevonden dat Alpha--Carotine een sterker beschermend middel is dan zijn bekende isomeer Beta-carotine. Studies neigen naar eensgestemdheid dat inname over de gehele linie van carotenoïden meer beschermend is dan een hoge inname van één enkele vorm van carotenoïd. Dus, is een verscheidenheid van vruchten en groenten nog een betere strategie tegen kanker dan slechts gebruik maken van één enkele groente die veel specifieke carotenoïden heeft. De rijkste bronnen van Alpha-carotine zijn wortelen en wortelsap, met pompoenen en winterpompoen als tweede meest-bevattende bron. Er zit ongeveer één UG van Alpha-carotine voor elke twee UG van Beta-carotine in wortelen. De belangrijkste bronnen van Beta-cryptoxanthin zijn citrusvruchten en rode paprika's.

Lycopeen
Van de diverse carotenoïden is lycopeen zeer beschermend gevonden, in het bijzonder voor prostaatkanker. De belangrijkste dieetbron van lycopeen zijn tomaten, met lycopeen in gekookte tomaten die meer biobeschikbaar zijn dan dat in rauwe tomaten. Verscheidene prospectieve cohort studies hebben verbanden gevonden tussen hoge inname van lycopeen en verminderde gevallen van prostaatkanker, hoewel niet alle studies verenigbare resultaten [ 144.145 ] geproduceerd hebben. Sommige studies lijden aan een gebrek aan goede correlatie tussen lycopeen inname die door vragenlijst werden beoordeeld en daadwerkelijke serumniveaus, en andere studies onderzochten innamen onder een populatie die zeer weinig tomatenproducten gebruikte. De studies met positieve resultaten zullen hier nader worden herzien.

In de Health Professionals Follow-up Study was er een 21% daling van het risico op prostaatkanker, in een vergelijking tussen de hoogste kwantet van lycopeen inname met het laagste kwantet. Gecombineerde inname van tomaten, tomatensaus, tomatensap, en pizza (die 82% van de lycopeen inname vertegenwoordigden) werden geassocieerd met een 35% lager risico op prostaatkanker. Voorts was lycopeen eveneens meer beschermend voor gevorderde stadia van prostaatkanker, met een 53% daling van het risico [ 146 ]. Een recent vervolgrapport over deze zelfde studiegroep van mensen bevestigde de oorspronkelijke bevindingen dat lycopeen of regelmatig eten van tomaten wordt geassocieerd met een daling van ongeveer 30-40% van het risico op prostaatkanker, vooral gevorderde prostaatkanker .

Naast de twee bovengenoemde rapporten, bewijst een deelstudie van de Health Professional Follow-up Studie met 450 gevallen en controles, een omgekeerde relatie tussen plasma lycopeen en het risico op prostaatkanker (OR 0.48) onder oudere proefpersonen (> 65 jaar oud) zonder een familiegeschiedenis van prostaatkanker [ 148 ]. Onder jongere mensen werd hoog plasma Beta-carotine geassocieerd met een statistisch significante 64% daling van het risico op prostaatkanker. Dus zijn de resultaten voor lycopeen gevonden voor dieet innamen evenals plasma niveaus.

In een deelstudiegroep van de Physicians' Health Study cohort, een placebo-gecontroleerde studie van aspirine en Beta-carotine, was er een 60% vermindering op het risico van gevorderde prostaatkanker (P-Tendens = 0.006) voor die proefpersonen in de placebogroep met de hoogste plasmalycopeen niveaus, in vergelijking met het laagste kwantet. De Beta-carotine had ook een beschermend effect, vooral voor die mensen met lage lycopeen niveaus [ 149 ].

Naast deze waarnemingsstudies, zijn er twee klinische studies gedaan om lycopeen te supplementeren voor een korte periode vóór radicale prostatectomy = radicale chirurgie van prostaatkanker . In één studie werd 30 mg/dag lycopeen gegeven aan 15 mensen in de interventiegroep terwijl de 11 mensen in de controlegroep werden geïnstrueerd om de aanbevelingen van het National Cancer Institute te volgen om minstens 5 porties vruchten en groenten dagelijks te verbruiken. De resultaten toonden aan dat lycopeen de groei van prostaatkanker vertraagde. De prostaatweefsel lycopeen concentratie was 47% hoger in de interventiegroep. Proefpersonen die lycopeen gedurende 3 weken namen hadden kleinere tumoren, minderlast van de chirurgische marges (minder bijwerkingen) , en minder problemen met de prostaat veroorzaakt door pre-cancerous hooggradige prostaat intraepithelial neoplasia [ 150 ].

In een andere studie vóór radicale prostatectomychirurgie werden 32 mensen elke dag een op tomatensaus gebaseerde deegwaren schotel gegeven die 30 mg lycopeen per dag leverde. Na 3 weken verhoogden serum en prostaat lycopene niveaus respectievelijk in 2-voud en 2,9-voud. PSA niveaus verminderden met 17%, zoals ook gezien door Kucuk et al [ 150 ]. Oxidatieve DNA schade was 21% lager in de witte bloedlichaampjes van de proefpersonen en 28% lager in prostaatweefsel, in vergelijking met de controle studiegroepen. De apoptotis index was 3 maal hoger in het weggesneden prostaatweefsel, in vergelijking met het biopsie weefsel [ 151 ]. Deze interventie studies doen de vraag rijzen wat gedaan zou kunnen worden als deze toepassing/toediening langer was geweest en synergistisch gecombineerd met andere effectieve interventiemethodes, zoals lijnzaad, verhoogd selenium en misschien vitamine E, in de context van een voedingswijze met veel fruit en groenten?

Vitamine C
Vitamine C, of ascorbinezuur (= vitamine gevonden in fruit en groente-producten), zijn bestudeerd met betrekking tot gezondheid en is het meest algemene voedingsupplement dat in de V.S. wordt genomen. Lage bloedniveaus van ascorbinezuur zijn schadelijk voor de gezondheid (voor een recent artikel zie - Fletcher et al [ 152 ] ) en waarin vitamine C is gecorreleerd met algemene goede gezondheid en kankerpreventie [ 153 ]. Het gebruik van vitamine C voor een behandeling van kanker werd gepopulariseerd door Linus Pauling. Bij hoge concentraties is ascorbate bij voorkeur giftig tegen kankercellen. Er is wat bewijsmateriaal dat grote doses vitamine C, of in veelvoud verdeelde orale doses of intraveneus, gunstige gevolgen hebben in een behandeling van kanker [ 154-156 ]. Orale doses, zelfs in veelvoud verdeelde doses, zijn niet zo effectief als intraveneuze toediening. Vitamine C bij een dosis van 1,25g orale toediening veroorzaakte gemiddelde piek plasma concentraties van 135 ± 21 umol/L vergeleken met 885 ± 201 umol/L voor intraveneuze toediening [ 154 ].
Terwijl het algemeen aannemelijk is dat vitamine C een effectieve stof is, liggen de benodigde hoeveelheden die voor deze therapeutische effecten vereist worden duidelijk boven gemiddelde dagelijkse veodingsinnamen. Blijkbaar kan intraveneuze ascorbate – vitamine C een nuttige aanvullende behandeling zijn bij kanker zonder negatieve bijwerkingen bij een gecontroleerde toediening.

Andere anti-oxidanten
Er zijn veel meer stoffen die een positief effect in een behandeling van kanker zullen hebben. Het grootste deel van deze substanties wordt gevonden in voedsel, maar hun effectieve doseringen voor een therapeutische behandeling zijn veel hoger dan de normale concentraties in voedsel. Bijvoorbeeld, druivenzaad extract bevat proanthocyanidin, wat anticarcinogene –antikanker - eigenschappen bezit (herzien door Cos et al [ 157 ] ). Ook groene thee bevat een flavanol, epigallocatechin-3-gallate (EGCG), die metalloproteinases kan tegengaan, naast verscheidene mogelijk andere mechanismen [ 158 ]. En er zijn claims voor verschillende andere kruidensubstanties en extracten die positief effectief zouden kunnen zijn, welke echter buiten het gebied van dit overzicht liggen.

Probiotica
De bacteriën die zich in de lagere delen (vanonder de maag tot aan de anus) van het lichaam bevinden, hebben over het algemeen een symbiotische verhouding met hun gastheer. Gunstige bacteriën produceren natuurlijke antibiotica om pathogene “insecten” (bacteriën) onder controle te houden (verhinderend diarree en besmettingen) en produceren enkele vormen van vitamine B in de kleine darm waar zij kunnen worden gebruikt. Gunstige bacteriën stimuleren de voedselspijsvertering door de kleine darm te voorzien van extra enzymen, zoals lactase. Gunstige bacteriën helpen het immuunsysteem te versterken precies in de darm waar veel van de interactie tussen de buitenwereld en het lichaam plaatsvind. Gunstige bacteriën kunnen helpen om voedselallergieën te voorkomen. Zij kunnen helpen kanker in diverse stadia van ontwikkeling te voorkomen. Deze goede bacteriën kunnen absorptie (opnemen) van mineralen verbeteren, daarmee het effect van voedsel maximaal te gebruiken. Echter, de balans tussen gunstige en potentiele pathogene bacteriën in de darm is afhankelijk van de voedingswijze. Plantaardige vezel moedigt de groei van gunstige bacteriën aan. Bij een groep vegetarische Adventisten (mensen die geloven dat de komst van Christus en het einde van de wereld nabij is) werd een hogere hoeveelheid gunstige bacteriën gevonden en bleken een lagere hoeveelheid potentieel pathogene bacteriën te hebben in vergelijking met niet-vegetariërs die een conventioneel Amerikaans voedingspatroon gebruikten [ 159 ]. Verschillen in bacteriële populaties werden onderzocht tussen patiënten bij wie onlangs een dikkedarm poliep was verwijderd, bij Japans-Hawaiianen, Noordamerikaanse Kaukasiërs, inheemse landelijke Japanners, en landelijke inheemse Afrikanen. Lactobacillus soorten en Eubacterium aerofaciens, beide producenten van melkzuur, werden geassocieerd bij de onderzochte populatie met een lager risico op darmkanker, terwijl Bacteroides en Bifidobacterium soorten met een hoger risico op darmkanker werden geassocieerd . Er is een stevige theoretische basis bekend waarom probiotics zou moeten helpen kanker te voorkomen, vooral darmkanker, en zelfs remissie – kleiner maken - van kankertumoren kan bewerkstelligen. Probiotics produceren korte ketting vetzuren in de darmen die het milieu verzuren. Lagere darm pH wordt geassocieerd met een minder voorkomen van darmkanker. Probiotica bacteriën verminderen het niveau van procarcinogenic enzymen zoals bèta-glucuronidase, nitroreductase, en azoreductase

L. casei werd gebruikt in twee trials van patiënten met oppervlakkige blaaskanker. In de eerste studie had de probiotica groep een 50% ziektevrije periode van 350 dagen, in vergelijking met 195 dagen voor de controlegroep [ 162 ]. De tweede studie toonde ook aan dat probiotica beter dan de placebo werkte, behalve voor veelvoudig terugkomende tumoren [ 163 ].
Behalve de twee hierboven geciteerde studies, is het grootste deel van het onderzoek van probiotica en kanker gedaan in dierenstudies. De studies hebben bepaalde tumormarkers welke tumorgroei aantonen of dieren met chemisch ingebrachte tumorcellen bekeken.
Studies bij ratten hebben aangetoond dat probiotica de vorming van afwijkende verborgen foci (aberrant crypt foci ) kan tegengaan, wat wordt verondersteld een voorstadium van kanker in de darmen te zijn. Een van de beste resultaten werd verkregen met een probiotica lijn gegeten samen met inulien, een soort fructooligosaccharide. De totale afwijkende verborgen foci (aberrant crypt foci ), chemisch en kunstmatig ingebracht, werden door de behandeling van ratten met inulien en B.longum met 74% verminderd, maar slechts respectievelijk 29% en 21% door longum en B.inulien alleen [ 164 ]. Er werd een synergetisch effect in het samen gebruiken van beide producten aangetoond. Dezelfde synergie werd gevonden bij ratten met door azoxymethane-veroorzaakte darmkanker in een andere studie. Ratten gevoed met Raftilose, een mengsel van inulien en oligofructose, of Raftilose met Lactobacilli rhamnosus (LGG) en lactis Bifidobacterium (Bb12), hadden een beduidend lager aantal tumoren in vergelijking met de controlegroep [ 165 ]. Een probiotica mengsel, zonder enige antibiotica, gegeven aan ratten gevoed met azoxymethane, verminderde het aantal darmtumoren in vergelijking met de controlegroep (50% versus 90%), en verminderde ook het aantal tumoren per tumor-dragende rat [ 166 ]. In laboratorium muizen, gefokt om vatbaar te zijn voor colitis en darmkanker, verminderde een probiotica supplement (Lactobacillus = een salivariumsoort Salivarius UCC118), fecal coliform niveaus, het aantal van potentieel pathogene Clostridium perfringens, en verminderde het inwendige ontstekingen. In deze kleine studie stierven in de controlegroep van 10 muizen twee muizen aan plotselinge colitis en 5 muizen ontwikkelden kanker van het type adenocarcinoma, terwijl er in de probiotica testgroep geen colitis en slechts 1 muis met adenocarcinoma waren te vinden. [ 167 ]. Het onderzoek naar probiotica en ziekte is nog een nieuw gebied. Er is een hoge graad van variatie van gezondheidsvoordelen tussen de verschillende aard van bacteriën. Gezien nieuwe methodes om probiotics te selecteren en te onderzoeken snel beschikbaar worden, zal op dit gebied snel vooruitgang kunnen worden geboekt.

Orale Enzymen
Veel mensen die met kanker worden gediagnostiseerd hebben eveneens spijsverterings of intestinale afwijkingen. Een aangetaste spijsvertering zal een voedingsbenadering van het behandelen van kanker zeer belemmeren. Als de voedingsstoffen niet kunnen worden vrijgegeven van het voedsel en niet door het lichaam worden opgenomen, dan zal het uitstekende voedsel dat door het Hallelujah Dieet wordt verstrekt verloren gaan. Spijsverterings enzymsupplementen worden gebruikt om de juiste en adequate spijsvertering van voedsel te verzekeren. Zelfs rauw voedsel, dat vele spijsverteringsenzymen bevat om te assisteren in hun spijsvertering, zal grondiger verteerd worden met minder gebruik van de eigen middelen van het lichaam bij het gebruik van spijsverteringsenzymen. Dus, de enzymen die met maaltijden worden genomen hebben geen direct effect op een tumor, maar helpen het lichaam om elke voedingsstof uit voedsel te halen zodat het lichaam kan helen en herstellen tot de normale functie. Onlangs, werd een in vitro systeem gebruikt om het gebruik van supplementaire spijsverteringsenzymen te onderzoeken. De spijsverteringsenzymen verbeterden de verteerbaarheid en biotoegangkelijkheid van proteïnen en koolhydraten in de lumen van de kleine darm, niet alleen in de aangetaste sspijsverteringsomstandigheden, maar ook in de gezonde menselijke spijsvertering [ 168 ] Er is bewijsmateriaal dat op de aanwezigheid van een enteropancreatische omloop van spijsverteringsenzymen [ 169 ] wijst. Spijsverterings enzymen schijnen bij voorkeur in de bloedsomloop te worden geabsorbeerd en dan opnieuw bijeengebracht door de alvleesklier voor hergebruik. Er schijnt een mechanisme te zijn waardoor de spijsverteringsenzymen de lichaamsomloop kunnen bereiken. Enzymen, vooral proteasen, als zij de lichaamsomloop bereiken, kunnen directe anti-tumor activiteit hebben. Wald et al [ 170 ] rapporteerden over het anti-metastatische (= tegengaan van uitzaaingen) effect van enzymsupplementen. Muizen, die met het Lewis longcarcinoom werden ingeënt, werden behandeld met een proteolytisch enzymsupplement, rectaal gegeven (om spijsvertering te vermijden). De primaire tumor werd verwijderd, zodat de metastatische verspreiding van kanker zou kunnen worden gemeten. Na chirurgische verwijdering van de primaire tumor (dag 0), stierf 90% van de controlemuizen tegen dag 18, toe te schrijven aan uitgezaaide tumoren. In de eerste groep, die het rectale enzymsupplement vanaf het tijdstip van de chirurgische tumor-verwijdering ontving, waren 30% van de muizen gestorven aan uitzaaiing van de kanker tegen dag 25. In de tweede groep, die de enzymen vanaf 6 dagen voorafgaand aan verwijdering van de primaire tumor ontving, toonde slechts 10% van de dieren het metastatische - uitzaaiïngsproces tegen dag 15. In de derde groep, die de enzymbehandeling sinds de aanvankelijke inenting van het Lewis longcarcinoom ontving, was geen metastatische verspreiding van de tumor waarneembaar. De overlevingscijfers na 100 dagen waren voor de controlegroep, eerste groep, tweede groep, en derde groep waren respectievelijk 0%, 60%, 90%, en 100%.
In een gelijkwaardig experiment, werd een enzymmengsel van papaïne, trypsine, en chymotrypsin, zoals wordt gebruikt in Wobe-Mugos E enzymen bereiding, rectaal gegeven aan muizen die met melanoom cellen werden ingeënt. De overlevingtijd werd verlengd in de studiegroep (38 dagen in de enzymgroep in vergelijking met 24 dagen bij de controlemuizen) en 3 van de 10 enzym-gesupplementeerde muizen genazen. Opnieuw werd een sterk anti-metastatisch (tegengaan van uitzaaïngen) effect van de proteolytische enzymen gevonden [ 171 ].
Meer bewijsmateriaal van de effectiviteit van orale enzym supplementatie is beschikbaar bij klinische proeven in Europa. Twee verschillende studies hebben aangetoond dat twee verschillende orale proteolytische enzymsupplementen in staat waren om hoge niveaus van de transformerende groeifactor-B (beta) te verminderen, die een rol spelen bij sommige kankersoorten [ 172.173 ]. In de Slowaakse Republiek werd een oraal enzymsupplement getest in een placebo-gecontroleerde trial van multiple myeloma - Kahler. Voor stadium III Multiple Myeloma - Kahler, was de overleving van de controlegroep 47 maanden, in vergelijking met 83 maanden (3 jaar levensverlenging) voor patiënten die oraal de enzymen voor meer dan 6 maanden [ 174 ] innamen.

Enzym supplementen hebben ook aangetoond dat ze de bijwerkingen van een kankertherapie kunnen verminderen. Enzym supplementatie resulteerde in minder bijwerkingen voor vrouwen die radiotherapie – bestraling voor baarmoederhalskanker [ 175 ] ondergingen, voor patiënten die radiotherapie – bestraling voor hoofd en halstumoren [ 176 ] ondergingen, en voor darmkankerpatiënten die conventionele kankerbehandelingen [ 177 ] ondergingen.
In een grote multisite studie in Duitsland, werden vrouwen die conventionele kankertherapie ondergingen, in een controlegroep gezet, of in een groep die oraal een enzymsupplementatie ontvingen. Ziekteprogressie en therapie verwante symptomen werden allen verminderd, behalve tumorpijn, door het enzymsupplement. Ook was de mediane overleving langer met minder recidieven en minder metastasen – uitzaaiïngen in de enzymgroep [ 178 ]. In elk van deze studies werden de orale enzymsupplementen goed verdragen, met slechts een kleine hoeveelheid met mild tot gematigde gastro-intestinale symptomen = darmproblemen. Alhoewel deze paar studies niet veel bewijsmateriaal geven over de effectiviteit van orale enzymaanvulling, is het duidelijk dat sommige omstandigheden door enzymaanvulling zullen worden verbeterd, met zeer weinig gevaar van negatieve bijwerkingen. Op z'n minst zullen de enzymen de spijsvertering verbeteren en de spijsverteringslast op het lichaam verminderen, zodat meer reserves – energie overblijft om de ziekte te bestrijden. Hoewel, zoals het onderzoek uitwijst, het effect veel groter kan zijn gezien het potentieel voor directe anti-tumor activiteit.

Gehele Dieet Studies
Een behandeling van kanker gebaseerd op een dieet, de Gerson Therapie, werd gebruikt om melanoma kanker – huidkanker te behandelen. De 5-jaar overlevingscijfers van hun therapie waren zeer gunstig in vergelijking met conventionele therapie die wordt gemeld in de medische literatuur, vooral voor geavanceerdere stadia van melanoma [ 179 ] (zie Tabel 7). Een Italiaanse cohortstudie waarin 8.984 vrouwen werden gevolgd gedurende gemiddeld 9,5 jaar, waarin 207 voorkomende gevallen van borstkanker tijdens die studietijd. Hun voedselpatronen werden geanalyseerd via de volgende groepen - saladegroenten (rauwe groenten en olijfolie), westelijk (aardappels, rood vlees, eieren en boter), kantine (deegwaren en tomatensaus), en verstandig (gekookte groenten, peulvruchten, en vis). Slechts het voedingspatroon van de saladegroenten werd geassocieerd met een beduidend lager risico op borstkanker, ongeveer 35% lager. Voor vrouwen met een normaal gewicht (BMI < 25) was het patroon van de saladegroenten nog meer beschermend, een 61% verminderd risico op borstkanker [ 180]. Het algehele voedingspatroon maakt een zeer significant verschil.
In de USA gedane studies heeft het "verstandige" dieet aangetoond beschermend te zijn voor darmkanker, terwijl het "westelijke" dieet aangetoond is schadelijk te zijn. Het "westelijke" voedingspatroon, met hoge innamen van rood vlees en verwerkt vlees, snoepjes en desserts, patat, en geraffineerde granen, werd geassocieerd met een relatief 46% verhoogd risico op darmkanker in de Nurses' Health Study . Slattery et al [ 17 ] vonden een tweevoudige verhoging van het relatieve risico op darmkanker verbonden aan een "westelijk" voedingspatroon, en een daling van 35-40% in relatief risico werd geassociëerd met het "verstandige" voedingspatroon, vooral onder hen die gediagnostiseerd werden op relatief jongere leeftijd (< 67 jaar oud). De groep van de "saladegroenten" zal eerder beschermend zijn in vergelijking met het "verstandige" voedingspatroon, maar dit patroon bestond niet in deze studiepopulatie.
In een analyse van de gegevens van dubbelpuntkanker uit de Health Professionals Follow-up Studie, vonden Platz et al [ 56 ] dat er een 71% daling was van het risico op darmkanker, toen mannen, met geen van de zes gevestigde risicofactoren, werden vergeleken met mannen met minstens één van deze risicofactoren (zwaarlijvigheid, fysieke inactiviteit, alcoholconsumptie, roken van sigaretten bij vroege volwassenheid, rood vleesconsumptie, en lage inname van foliumzuur via supplementen). Dus, als alle mannen hetzelfde gezondheidsprofiel hadden zoals deze gezondere 3% van de studiepopulatie, zouden de getallen van darmkanker slechts 29% geweest zijn van wat zij constateerden.

Een vegetarische voedingswijze wordt momenteel onderzocht in de Women's Healthy Eating and Living (WHEL) studie. Ongeveer 3.000 vrouwen die voor een vroeg stadium van borstkanker werden behandeld zijn willekeurig verdeeld in twee groepen. De dieetdoelstellingen voor de testgroep van de studie zijn 5 porties groenten, 16 oz groentensap, 3 porties fruit, 30 g vezel, en 20% minder calorieën door vet. Geen richtlijnen werden gegeven voor dierlijke product inname, en de aanvankelijke resultaten schijnen te bevestigen, aangezien er geen veranderingen waren in lichaamsgewicht, het totale cholesterol, of cholesterol LDL [ 181 ], dat die door dierlijke eiwitopnames worden beïnvloed. Hoewel, tijdens het eerste jaar van follow-up, plantaardige inname wel steeg tot 7 porties per dag, fruitinname steeg tot 3,9 porties per dag, verminderde de energie (calorieën) door vet van 28% tot 23%. Ook stegen de concentraties van plasmacarotenoïden significant in de interventiegroep, maar niet in de controlegroep. A-carotine verhoogde 223%, B-carotine verhoogde 87%, luteïne verhoogde met 29%, en lycopeen verhoogde met 17% [ 182 ], wat erop wijst dat een aanzienlijke verandering in hun voedingswijze – voedignspatroon door deze vrouwen was aangebracht. Het zal interessant zijn om de resultaten van deze studie te volgen.

Conclusies:
Wat is het resultaat wanneer elk van de genoemde onderwerpen en stoffen worden samengebracht in een advies voor een voedingswijze? Wat als elk van deze hier besproken factoren in acht worden genomen en in praktijk worden gebracht? Dit zou een voedingswijze – een voedingspatroon moeten bevatten om kanker tegen te gaan en te bestrijden: (1) adequate, maar niet bovenmatige calorieën
(2) 10

Plaats een reactie ...

Reageer op "Voeding en voedingstoffen als preventie en medicijn tegen kanker. Een 20 pagina's lang vertaald artikel met 238 referenties over richtlijnen dat bepaalde voeding en voedingstoffen kanker kan voorkomen."


Gerelateerde artikelen