7 augustus 2017: Ik kreeg afgelopen week enkele vragen over de vergoedingen voor TACE en/of LITT bij bv. darmkanker of alvleesklierkanker.

Ik kan daar alleen maar dit antwoord op geven: of TACE en/of LITT vergoed wordt is afhankelijk van vorm van kanker en stadium van ziekte, zie bij Zorginstituut (vroegere CVZ) op hun website.

25 augustus 2009: Het CVZ - College van Zorgverzekeraars heeft recent bepaald (mei 2009) dat TACE en RFA c.q. LITT geen behandelingen zijn die door de wetenschap erkend worden als erkende behandeling voor levermetastases vanuit andere vormen van kanker dan primaire leverkanker omdat er geen gerandomiseerde fase III studies bekend zouden zijn die de meerwaarde van TACE, RFA en LITT aantonen. CVZ schrijft dan ook dat deze behandelingen niet vergoed hoeven te worden. Wij zijn bezig samen met het SNFK om te kijken of hieraan wat gedaan kan worden. Voor wie wil hebben we het volledige rapport van CVZ beschikbaar.

Geactualiseerd 4 mei 2006: Bron: Brief van CVZ = College van Ziektekosten verzekeraars.

Van CVZ kregen we digitaal de officiële brief toegestuurd inzake vergoedingen van RFA, TACE en LITT bij o.a. levertumoren, die we hieronder integraal publiceren. Maak ook gebruik van de uitspraak van Het Europese Hof als u een vergoeding wilt aanvragen of bezwaar aan wilt tekenen als uw aanvraag wordt afgewezen. Onder de brief staan ook nog aantal aantal antwoorden van CVZ op enkele vragen van ons in deze kwestie. Wij zijn het niet helemaal eens met bepaalde conclusies die CVZ trekt aan de hand van bepaalde uitspraken en antwoorden en denken dat een jurist bepaalde uitspraken makkelijk kan weerleggen maar dat moet u dan voorleggen aan uw eigen jurist. Wie ook een kopie van de volledige brief van CVZ plus de 25 pagina's met studie abstracten over RFA, TACE en LITT wilt hebben kan die aanvragen bij redactie kanker-actueel.nl. Wij rekenen daarvoor € 15,-- porto en verzendkosten. OPS leden krijgen korting en betalen € 7,50 voor een kopie van de brief plus de 25 pagina's studieabstracten.

Uw brief van Uw kenmerk Datum 1 september 2005

Ons kenmerk Behandeld door Doorkiesnummer CZ/25069060 mw. dr. M.A. van Eijkeren (020) 797 88 33

Onderwerp
tace/litt

Geachte heer of mevrouw,

Uw brief betreffende de behandeling en vergoeding van TACE (Trans Arteriële Chemo-Embolisatie) en LITT (Laser-Induced Interstitial Thermotherapy) voor levertumoren d.d. 21 februari 2005, gericht aan de Inspectie voor de Gezondheidszorg is doorgestuurd naar het College voor zorgverzekeringen om te beoordelen of deze behandelingen moeten worden opgenomen in het verzekerde pakket. Zie de brief van P.A.W. Edgar, arts MBA, hoofdinspecteur voor de curatieve somatische gezondheidszorg, d.d. 1 april 2005.

Om te beoordelen of een behandeling vallende onder medisch-specialistische zorg is/wordt opgenomen in het verzekerde pakket in het kader van de Ziekenfondswet stelt het College vast of deze behandeling gebruikelijk is in de kring van de beroepsgenoten, d.w.z. door de internationale medische wetenschap voldoende beproefd is en deugdelijk is bevonden, met dien verstande dat de behandeling moet passen bij de indicatie en de ziekte kenmerken van de betreffende patiënt.

1. Beoordeling gebruikelijkheid

Bij de beoordeling of een behandeling door de internationale medische wetenschap voldoende beproefd en deugdelijk is bevonden, sluit het college zich aan bij hetgeen daarover is gesteld in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 september 2004 (RZA 2004, 179), te weten dat hierbij alle relevante gegevens in aanmerking dienen te worden genomen, waaronder met name literatuur, wetenschappelijke onderzoeken en gezaghebbende meningen van specialisten. Het college laat zich daarbij adviseren door zijn medisch adviseur.

Werkwijze
De medisch adviseur volgt het principe van evidence based medicine, een systematische zoekstrategie naar relevante literatuur en beoordeling van de methodologische kwaliteit van de geselecteerde onderzoeken. Een systematische zoekstrategie vindt plaats in:

• de internationale medisch-wetenschappelijke databases. bijv. "MEDLINE” (via Pubmed), de Cochrane library en het "International network of agencies for health technology assessment" (INAHTA). Er wordt gezocht met behulp van de MESH (medical subject headings); er wordt niet gelimiteerd gezocht dat wil zeggen; er vindt geen uitsluiting plaats van primaire onderzoeken, editorials, letters, of case reports. Ook wordt (daar het vaak om nieuwe behandelingen gaat) free text gezocht naar referenties waaraan nog geen trefwoorden zijn toegekend.
Naar gelang het onderwerp wordt ook specifiek gezocht naar gepubliceerde meningen van experts op het betreffende vakgebied en naar meningen/opvattingen van relevante organisaties of belangenverenigingen.

• Verder wordt altijd ook gezocht naar: Nederlandse en buitenlandse richtlijnen en adviezen. • Via Google wordt naar opvattingen van buitenlandse bijv Engelse, Amerikaanse zorgverzekeraars of andere instanties gezocht.

De searches worden tenminste om de twee jaar herhaald, en zonodig eerder in geval van actuele ontwikkelingen. Er wordt met deze werkwijze zo volledig mogelijk gezocht naar alle (literatuur)onderzoeken /artikelen en gezaghebbende gepubliceerde meningen/ opvattingen betreffende de nieuwe behandeling in binnen en buitenland.

Selectie en Beoordeling
Uit de gevonden literatuur worden voor verdere beoordeling die artikelen geselecteerd die betrekking hebben op de vraagstelling. De beoordeling van artikelen vindt, waar dit kan, zoveel mogelijk plaats met behulp van controlelijsten ter beoordeling van de methodologische kwaliteit van medische artikelen. Aan de onderzoeken wordt waar mogelijk een level of evidence toegekend conform EBRO- richtlijnen (Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling).

De uiteindelijke conclusie:
Bij voorkeur moeten beslissingen op basis van de beste evidence worden genomen. In het kader van de toetsing van de waarde van een nieuwe behandeling dient altijd vergeleken te worden met de bestaande gouden standaard behandeling (de klassieke behandeling) indien aanwezig. De nieuwe behandeling wordt beoordeeld in vergelijking tot de klassieke behandeling waarbij zowel de werking, de bijwerkingen als de lange termijn (follow-up) resultaten ten opzichte van de gouden standaard behandeling worden meegenomen.
Er moet minimaal sprake zijn van een ingreep met een tenminste vergelijkbare werking op vergelijkbare harde klinische uitkomstmaten in de zin van resultaten en voldoende lange termijn follow-up van patiënten om te kunnen spreken van een gebruikelijke behandeling.

Indien uit tenminste twee kwalitatief verantwoorde studies op 'fase 3 niveau' blijkt dat de behandeling in kwestie een (meer)waarde heeft ten opzichte van de behandeling die tot nog toe in de internationale kring van beroepsgenoten geldend is (de zgn.‘gouden standaard behandeling’), dan moet worden geconcludeerd dat de behandeling in kwestie (inmiddels) een ‘gebruikelijke’ behandeling is in de internationale kring van beroepsgenoten.

Indien uit tenminste twee kwalitatief verantwoorde studies op 'fase 3 niveau' blijkt dat de behandeling in kwestie niet tenminste vergelijkbaar is qua werkzaamheid/effectiviteit en vergelijkbare uitkomsten (follow-up) ten opzichte van de ‘gouden standaard behandeling’, dan luidt de conclusie dat de behandeling in kwestie niet gebruikelijk is in de internationale kring van beroepsgenoten. In deze gevallen zal de medisch adviseur geen aandacht meer besteden aan onderzoeken van mindere bewijskracht of literatuur. Deze kunnen immers de uitkomsten van de fase 3 onderzoeken, welke wetenschappelijk van een hogere orde zijn, niet aantasten.

Indien geen (afgeronde) studies op 'fase 3 niveau' gepubliceerd zijn, dan betrekt de medisch adviseur ook evidence van lagere orde en publicaties van gezaghebbende meningen van medisch specialisten in zijn beoordeling. Het hangt in dat geval van de consistentie van deze onderzoeken of publicaties af, of de behandeling in kwestie als “voldoende beproefd en deugdelijk” moet worden bevonden.

Er is dus als het ware een hiërarchie van evidence, sterke evidence verdringt zwakkere. Wat niet uitsluit dat een beslissing ook op mindere evidence kan worden genomen.

2. Gebruikelijkheid TACE en LITT

Inleiding
Indien er in het kader van de Ziekenfondswet een geschil bestaat tussen een zorgverzekeraar en een verzekerde over een verstrekking, is de zorgverzekeraar verplicht advies te vragen aan het college. Bij de advisering in een geschil stelt het college de gebruikelijkheid van een behandeling vast. Voor aanspraak op vergoeding is dit echter niet de enige voorwaarde waaraan moet zijn voldaan. Nog afgezien van het vereiste van een geldige verwijzing door de huisarts of de behandelend specialist (in Nederland) is ook het doelmatigheidsvereiste aan de orde. Hierbij gaat het om de vraag of de behandeling wordt toegepast in de context van de indicatie en de klinische kenmerken van de desbetreffende verzekerde/ patiënt.

Bij locale, al dan niet chirurgische, behandelingen van kankerprocessen dan wel metastasen daarvan, worden als effectparameters primair het mogelijke overlevingsvoordeel en secundair eventueel de mogelijkheid tot locale palliatie (klachtenverlichting) bestudeerd. Over deze laatste indicatie is veelal weinig tot geen literatuur voorhanden.

In 2003 heeft het college in een advies gesteld dat behandeling middels TACE van levermetastasen van borstkanker wel gebruikelijk is wanneer deze klachten veroorzaken en de systemische behandeling onmogelijk is gebleken. Ook is in een ander advies in 2003 gesteld dat behandeling middels LITT (nog) niet gebruikelijk is.

Naar aanleiding van uw vraag heeft het college In april 2005 een literatuur search verricht naar TACE en LITT (bijgesloten).

Wat betreft TACE
Bij het primaire hepatocellulair carcinoom en het primaire cholangiocarcinoom: In 2002 bleek uit een meta analyse van 18 gerandomiseerde, gecontroleerde studies dat bij patiënten met een niet-resecteerbaar hepatocellulair carcinoom, TACE significant de 2 jaars overleving verbetert, vergeleken met een niet-actieve behandeling. Als ernstige complicaties wordt een percentage van 5.6 % gemeld, vooral bestaande uit lever falen, sepsis ten gevolge van cholecystitis of leverabcessen en gastro-intestinale bloedingen (C Gamma et al 2002). Bij niet-resecteerbaar cholangiocarcinoom zijn in observationele studies gunstige effecten op de overleving beschreven van TACE (Burger 2005).

Bij levermetastasen van andere primaire carcinomen:
In een observationele studie is een gunstig effect beschreven van TACE op de overleving bij patiënten met levermetastasen van een colorectaal carcinoom (Wasser 2004). Ook is zeer recent een vergelijkende studie verschenen bij 48 patiënten met levermetastasen van een mamma carcinoom waarin 28 patiënten behandeld werden met TACE en 20 met systemische chemotherapie. De survival voor de patiënten na de TACE therapie was significant beter dan na chemotherapie (Li 2005).

De Cochrane data bank verwacht een review over TACE en chemoembolisatie bij hepatocellulair carcinoom in 2006. De OHTAC (Ontario Health Technology Advisory Committee) vermeldt in Juni 2004 dat TACE een therapeutische procedure is, waarvan de uitkomsten slechter zijn dan van andere ablatie methodes (bijgevoegd).

Conclusie: Voor de TACE behandeling van levertumoren wordt in de literatuur alleen overleving als uitkomstmaat beschreven. Na bestudering van deze literatuur concludeert het College dat de TACE behandeling een gebruikelijke behandeling ter levensverlenging is bij geïsoleerde levermetastasen van het mamma carcinoom of het colorectaal carcinoom of een niet-resecteerbaar hepatocellulair carcinoom of cholangiocarcinoom. De hier genoemde carcinomen zijn de levertumoren die in de literatuur worden genoemd in associatie met TACE.
Hieruit volgt dat TACE ook een gebruikelijke behandeling is ter palliatie bij de hier genoemde levertumoren.

Nogmaals zij benadrukt dat de behandeling moet passen bij de indicatie en de ziekte kenmerken van de betreffende patiënt. Ook dient vermeld te worden dat er geen meerwaarde is aangetoond t.a.v. andere ablatie technieken.

Wat betreft LITT
Er zijn geen gerandomiseerde, gecontroleerde studies bekend over deze behandeling, daarom zijn studies van mindere bewijskracht bestudeerd.
Zowel bij het primaire hepatocellulair carcinoom, als ook bij levermetastasen van mamma- en colorectale carcinomen zijn diverse observationele studies verschenen die gunstige resultaten vermelden van LITT op de overleving (zie literatuur search). Als ernstige complicaties worden gemeld: 0.1 % mortaliteit binnen 30 dagen na de procedure; 0.8 % thoracocenthese i.v.m. pleuravocht; 0.7 % leverabcessen waarvoor drainage noodzakelijk is; 0.2 % galgangletsel; 0.1 % segmentaal lever infarct; en 0.05% bloeding warvoor bloedtransfusie noodzakelijk is. Als minder ernstige complicaties worden gemeld: 33.3 % koorts na de procedure; 7.3 % pleuravocht zonder drainage; 3.2 % subcapsulair hematoom; 1.1 % subcutaan hematoom; 0.3 % pneumothorax en 0.1 % bloeding (Vogl 2002). Een prospectieve quality-of-life studie tot 6 maanden na de LITT procedure bij 45 patiënten met levermetastasen na colorectaal carcinoom laat zien dat alleen de scores voor pijn toenemen rondom de procedure (Wietzke-Braun 2004).
Er zijn geen vergelijkende studies bekend met andere ablatieve methodes, noch met een afwachtend beleid of systemische chemotherapie. Ook zijn geen gerandomiseerde, gecontroleerde studies bekend. Tevens worden er geen referenties vermeld in het Cochrane of INAHTA (International Network of Agencies for Health Technology Assessment) netwerk.

Conclusie: in aanmerking genomen dat bij patiënten met primair hepatocellulair carcinoom of selectieve levermetastasen ablatie methodes gebruikelijke zorg zijn en het feit dat met de LITT methode veel ervaring is beschreven met gunstige resultaten op de overleving tegen een acceptabele morbiditeit, wordt ook de LITT als gebruikelijke zorg beschouwd bij dezelfde indicaties als beschreven bij de TACE behandeling; met dien verstande dat de behandeling moet passen bij de indicatie en de ziekte kenmerken van de betreffende patiënt. Wel dient ook voor de LITT behandeling vermeld te worden dat er geen meerwaarde is aangetoond t.a.v. andere ablatie technieken.

Wat betreft de combinatie van TACE en LITT:
Er zijn geen gerandomiseerde, gecontroleerde studies bekend over de combinatie van TACE en LITT, daarom zijn studies van mindere bewijskracht bestudeerd.
Er zijn gunstige invloeden op de overleving beschreven van combinaties van bovenstaande therapieën TACE gevolgd door LITT bij primair hepatocellulair carcinoom, echter niet op basis van direct vergelijkend onderzoek en bij niet-overeenkomstige patiënten groepen (Zangos 2001, Pacella 2001). In een studie met 162 patiënten met levermetastasen van diverse primaire tumoren waaronder colorectale en mamma carcinomen werd beschreven dat levermetastasen eerst in volume verkleind werden met TACE waarna verdere ablatie met LITT kon plaatsvinden in 50 % van de patiënten. Dit leidde tot een betere mediane overleving (26 maanden) in vergelijking met de patiënten die alleen TACE ondergingen (13 maanden). Overigens vertegenwoordigt de laatstgenoemde groep een groep met een slechtere prognose, waardoor meerwaarde van de combinatietechniek niet vaststaat (Vogl 2003).

Conclusie: omdat synergisme onvoldoende is aangetoond wordt de combinatie TACE gevolgd door LITT bij patiënten met primair levercelcarcinoom of selectieve levermetastasen (nog) niet als gebruikelijke zorg beschouwd.

In de bijgesloten literatuur search en de bespreking daarvan zult U ondermeer de artikelen tegenkomen die op Uw website vermeld worden, behalve het artikel van Gofuku et al. uit 2004 over TACE bij 14 patiënten met levermetastasen na mamma carcinoom. Dit artikel is geschreven in het Japans en is hier buiten beschouwing gelaten.

3. Andere locale ablatieve methodes bij de behandeling van het primaire levercelcarcinoom en levermetastasen
Bij de locale behandeling van het primaire hepatocellulair carcinoom en levermetastasen van andere primaire carcinomen zijn in de loop van de tijd diverse andere locale ablatie methodes ontwikkeld. Deze kunnen worden ingedeeld in 2 categorieën:
- door middel van chemo-ablatie (PEI (Percutane Ethanol Injectie), TACE)
- door middel van thermo-ablatie (waaronder radiofrequente-, laser-, microgolf- en cryoablatie)

Uit de door het college uitgevoerde literatuursearch werden de volgende gegevens verkregen: Er zijn geen gerandomiseerde, gecontroleerde studies bekend over de combinatie van ablatie technieken, daarom zijn studies van mindere bewijskracht bestudeerd.
In een retrospectieve beschrijvende studie werden 100 patiënten met niet-resecteerbaar hepatocellulair carcinoom beschreven die de volgende behandelingen ondergingen: 20 patiënten ondergingen TACE, 40 patiënten ondergingen Laparoscopische Radiofrequente Ablatie (LRFA) en 40 patiënten ondergingen een conservatieve behandeling. Na 12 maanden follow-up was de overleving in de LRFA groep beter en deze groep ondervond minder ernstige complicaties vergeleken met de TACE groep (Hsieh 2004). In een retrospectieve beschrijvende studie werden 22 patiënten met niet-resecteerbaar hepatocellulair carcinoom, die een TACE behandeling ondergingen vergeleken met 28 dergelijke patiënten die een TACE met Percutane Ethanol Injectie (PEI) ondergingen. De gecombineerde therapie liet significant hogere 3 jaars overleving percentages zien tegen vergelijkbare morbiditeit (Lubienski 2004). Er zijn geen studies bekend die LITT vergelijken met systemische chemotherapie of met een andere vorm van locale ablatie techniek (zie boven).

Er is door het college geen literatuur search uitgevoerd naar andere locale ablatie methodes dan de TACE en de LITT. Wel vermeldt de OHTAC in Juni 2004 (hierboven aangehaald) dat Radiofrequentie ablatie (RFA) en PEI meer effectief en meer kosteneffectief zijn dan TACE. Dit is gebaseerd op de bovengenoemd studie van Hsieh uit 2004 en een studie van Lencionin uit 2003 waarin RFA en PEI worden vergeleken bij 102 patiënten met niet-resecteerbaar hepatocellulair carcinoom na een follow-up van 2 jaar.
Het college meent dan ook dat er op dit moment geen uitspraak mogelijk is over de relatieve plaats van elke individuele locale ablatie methode in het arsenaal van locaal chirurgische en algemene palliatieve behandelingen.
De onderliggende tumor en verdere individuele ziekte kenmerken van patiënt zijn richtinggevend bij het antwoord op de vraag of en welke locale ablatie techniek geïndiceerd is, m.a.w. de doelmatigheid van de ablatiemethode zal per patiënt beoordeeld dienen te worden.
In diverse klinieken in Nederland worden verschillende van deze technieken geoperationaliseerd, zie ook het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 2005;149(26): 1448. Het zal dan ook van de mogelijkheden in het betreffende ziekenhuis afhangen welke ablatie techniek aanbevolen/gebruikt zal worden.

4. Behandeling in het buitenland
Onder de huidige regelgeving worden bij ziekenfonds patienten behandelingen in het buitenland vergoed als deze aan een aantal voorwaarden voldoen:
Wanneer het extramurale zorg betreft
: - de behandeling moet gebruikelijk zijn;
- de behandeling moet door een medisch specialist, die voldoet aan de in dat land gestelde eisen tot registratie, verricht worden;
- de behandeling moet geïndiceerd zijn bij de aandoening en passen bij de klinische kenmerken van de patiënt;
- de patiënt moet voor de behandeling verwezen zijn.
Wanneer de zorg intramuraal wordt verleend (met verblijf in de instelling van tenminste één nacht) geldt tevens:

- dat aan verzekerde voorafgaand toestemming moet zijn verleend om zich tot een niet gecontracteerde instelling te wenden. Buiten de lidstaten van de Europese Unie geldt deze toestemmingsvoorwaarde overigens ook voor extramurale zorg. Dit is geregeld in de Regeling zorg buitenland Ziekenfondswet en AWBZ. Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep mag toestemming alleen worden geweigerd indien deze behandelingsvormen tijdig in Nederland leverbaar zijn.

5. Conclusie
In het bovenstaande is uiteengezet dat zowel de TACE als de LITT door het college als gebruikelijke zorg worden beschouwd bij patiënten met primair hepatocellulair carcinoom en levermetastasen van andere primaire tumoren, met name mamma- en colorectale tumoren, met dien verstande dat de behandeling moet passen bij de indicatie en de klinische kenmerken van de betreffende patiënt. Echter TACE en LITT zijn slechts 2 vormen van locale ablatie methodes temidden van een breed scala van andere ablatie methodes. Het is niet mogelijk een rangorde daarin aan te brengen. Als een patiënt voor een locale ablatie methode in aanmerking komt, zal de wijze waarop in de praktijk afhangen van de methode die voorhanden is in het ziekenhuis. In een extramurale setting kan een patiënt in het buitenland een TACE of LITT ondergaan, mits deze behandeling past bij de indicatie en de ziekte kenmerken van de patiënt (doelmatigheid) en de patiënt daarvoor verwezen is. Voor het geval dat TACE of LITT in een intramurale setting in het buitenland worden toegepast, geldt volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dat toestemming alleen mag worden geweigerd indien deze behandelingsvormen tijdig in Nederland leverbaar zijn. Ook hier moet de behandeling passen bij de indicatie en de ziekte kenmerken van de patiënt.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Hoogachtend,

drs. C.H.F. Gimbrère
Sectormanager Curatieve Zorg

Bijlagen:

Literatuur search TACE
Literatuur search LITT
OHTAC summary rapport radiofrequency ablation for primary liver cancer

Wie ook een kopie van de volledige brief van CVZ plus de 25 pagina's met de studie abstracten over RFA, TACE en LITT wilt hebben kan die aanvragen bij redactie kanker-actueel.nl. Wij rekenen daarvoor € 15,-- porto en verzendkosten. OPS leden krijgen korting en betalen € 7,50 voor een kopie van de brief plus de 25 pagina's studieabstracten.

Hier de antwoorden op enkele vragen van ons. Eerst onze vragen daarna de antwoorden:

Het is al weer enige tijd geleden dat we contact hebben gehad over de vergoedingen voor TACE en LITT. Op verzoek van enkele patienten heb ik de volgende vragen:

1. U stelt "Als een patiënt voor een locale ablatie methode in aanmerking komt, zal de wijze waarop in de praktijk, afhangen van de methode die voorhanden is in het ziekenhuis. In een extramurale setting kan een patiënt in het buitenland een TACE of LITT ondergaan, mits deze behandeling past bij de indicatie en ziekte kenmerken van de patiënt (doelmatigheid) en de patiënt daarvoor verwezen is. "

Betekent dit nu dat er altijd een oncoloog advies en/of verwijzing moet geven of is een erkend arts, bv. ik noem wat een internist, ook voldoende?

2. Nu het verschil tussen particulier en ziekenfondsverzekerden is opgeheven: wat zijn nu de richtlijnen voor bv. het vantevoren aanvragen al of niet met of zonder behandelplan voor een eventuele vergoeding voor een behandeling in het buitenland?

3. Is het mogelijk dat u mij een digitale versie stuurt van uw brief? Dan hoef ik niet steeds alles te kopieren.

4. Is het mogeljik om mij een kopie van het artikel over deze zaak dat recent in uw magazine is verschenen te doen toekomen? Ik ben wel nieuwsgierig hoe dit artikel een en ander beschrijft.

Bedankt zover.

mvgr. kees braam
webmaster www.kanker-actueel.nl

P.S. Veel patiënten hebben veel, heel veel baat bij aanpak van dr. Vogl. Nu ook van TACE en LITT in de longen. Lijkt mij dat in Nederland nu snel ook op deze aanpak moet worden overgestapt eerlijk gezegd. Het is echt zeer opmerkeljik hoe bij enorm veel patienten de kwaliteit van leven en levensverlenging omhoog gaat. Ik weet dat ik een leek ben maar dit is zo opmerkelijk dat u of de inspectie daar toch niet omheen kunt?

Hier de antwoorden

Geachte Heer Braam,

U heeft gisteren een aantal vragen aan het CVZ voorgelegd per mail gericht aan mw dr M van Eijkeren, zij heeft echter onze organisatie verlaten, vandaar dat ik, samen met de medisch adviseur, de beantwoording op mij heb genomen.

Vraag 1, In het kader van de zorgverzekeringswet is er (nog steeds) een verwijzingsvereiste voor niet-spoedeisende hulp. Deze verwijzing kan/mag afkomstig zijn van een huisarts of medisch specialist. Een (algemeen) internist is een specialist.

Vraag 2, de beantwoording is primair afhankelijk van de individuele polis en de nadere voorwaarden die op dit punt in de polis zijn vermeld. Meer in het algemeen zal voor een behandeling die met opname gepaard gaat (intramurale zorg)toestemming vooraf gevraagd moeten worden. Voor een ambulante behandeling (extramurale zorg), zal dat niet altijd het geval zijn. Nogmaals: de eigen polisbepalingen zijn bepalend.

Het is overigens altijd verstandig om vooraf contact met de zorgverzekeraar op te nemen om te voorkomen dat later discussies ontstaan over het gepast zijn van de behandeling of de eventuele hoogte van de maximale vergoeding. Wat betreft telefonische informatie van de zorgverzekeraar, zij nog vermeld dat verzekerden er goed aan doen deze schriftelijk te laten bevestigen, of deze informatie zelf jegens de zorgverzekeraar te bevestigen.

Vraag 3, De brief gaat in digitale vorm hierbij.
Vraag 4, Uw verzoek om een copie van het artikel heb ik doorgeleid naar onze afdeling externe communicatie.

T.a.v. Uw p.m. over de Tace en Litt bij in de long gelokaliseerde kwaadaardige letsels heeft de medisch adviseur het volgende opgemerkt: Voor zover ik nu kan overzien betreft het een interessante ontwikkeling maar ontbreken nu nog te veel gegevens in de literatuur om al te kunnen spreken van een gebruikelijke behandeling. Prof. Dr Vogl is nu nog een van de weinigen die er over gepubliceerd heeft en zelfs hij spreekt nog van een veelbelovende, nieuwe techniek. Naar mijn opvatting is het nog experimentele (academische) zorg.

Met vriendelijke groet,
Dhr. dr. J.W.A. van Loenhout, internist, Adviseur Pakket
Mw. mr. M. van Drooge-van Loon, Adviseur Geschillen


Plaats een reactie ...

Reageer op "CVZ - College van Ziektekostenverzekeraars: Hier is de officiële brief van CVZ te lezen plus wat aanvullende vragen en antwoorden over deze brief."


Gerelateerde artikelen