30 december 2004: Bron Website van Vereniging Antroposofie

In het tijdschrift Motief van de Antroposofische Vereniging verscheen van prof. dr. Hugo S. Verbrugh een bespreking van de promotie van Cees Renckens onder de titel "Een tragiche figuur in de wetenschap". O.i. zegt onderstaande voldoende over de waarde van de promotie van Cees Renckens. Ter aanvulling wat Verbrugh wellicht niet weet, althans daar geen aandacht aan geeft: dr. F.S.A.M van Dam is een van de promotoren maar tegelijkertijd secretaris van de Vereniging tegen Kwakzalverij. Onvoorstelbaar eigenlijk dat dit door de universiteit is geaccepteerd. Maar er gebeurt wel meer onbegrijpelijks in de wereld van de oncologie. Hier het artikel uit motief met dank aan Lilian die me hier op wees en met dank aan Herman Boswijk van de bibliotheek van de Antroposofische Vereniging die ons toestaat dit artikel hier te plaatsen.

Een tragische figuur in de wetenschap
Cees Renckens op dwaalwegen

In discussies over alternatieve geneeswijzen of kwakzalverij roert zich meestal ook Cees Renckens, voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Hij neemt een geheel eigen standpunt in, en draagt dit met verve uit. De ergste boosdoeners buiten de reguliere geneeskunde zijn volgens hem zijn collega’s die zo dom zijn te menen dat de reguliere medische wetenschap niet alleen zaligmakend is en die elders inspiratie vinden voor de geneeskunst. Met name moeten antroposofische artsen het ontgelden. Het publiek heeft vertrouwen in artsen, en artsen die geloven aan antroposofie en aanverwante, volgens Renckens niet wetenschappelijk verdedigbare inzichten en ideeën, beschamen dit vertrouwen, meent hij. Hardnekkig houdt hij hen voor dat zij moreel verplicht zijn hun artsdiploma in te leveren. Zelfs bepleit hij dat de medische tuchtrechter hen niet alleen moet straffen voor eventuele fouten die ze in hun praktijk maken, maar hen louter hun antroposofische of anderszins niet-reguliere denkbeelden moeten verwijten (blz. 92).
Dat standpunt wordt slechts door weinigen onderschreven. Op 12 oktober promoveerde hij aan de Universiteit van Amsterdam op een uitwerking van deze gedachtegang. Promotoren waren de hoogleraren dr. O.P. Bleker en dr. F.S.A.M van Dam. De vraagstelling is zeer breed, en kan, in mijn woorden, aldus worden samengevat: wat zijn alternatieve geneeswijzen en kwakzalverij en waarom zijn ze de laatste tijd zo populair geworden? De bespreking van die vragen leverde een uitzonderlijk uitvoerig en veelzijdig proefschrift op. Het is ook meteen in een handelseditie verschenen. Om verschillende redenen zou het uitvoerig commentaar verdienen. Vanwege ruimtebeperking maak ik alleen enkele kleine kanttekeningen, in het bijzonder bij wat Renckens over de antroposofie schrijft.
Om te beginnen staat er weinig nieuws in. Het bevat weliswaar een literatuurlijst met ongeveer duizend verwijzingen, maar daarvan zijn er bijna honderd van Renckens zelf en de meeste zijn eerder verschenen in allerlei, wetenschappelijk weinig prominente media. Ook de stijl is dezelfde als in andere publicaties van Renckens en andere anti-alternatieve fundamentalisten: nergens een behoorlijke analyse; in plaats van een correcte weergave van de feitelijke stand van zaken, alleen vanuit het eigen al vaststaande oordeel geselecteerde en geformuleerde samenvattingen.
Verder wemelt het van de feitelijke onjuistheden, waaronder zulke die Renckens in eerdere publicaties gemaakt heeft en waarop hij toen, onder andere door mij, is gewezen.
Met name is wat en hoe hij over de antroposofische geneeskunde en de antroposofie schrijft ongebruikelijk in een proefschrift dat met succes aan een Nederlandse universiteit verdedigd is. ‘De teksten van Rudolf Steiner zijn voor de gewone man... onbegrijpelijk’ (blz. 372); ‘ook na herhaalde lezing lukt het ons niet de theoretische basis van het... antroposofische onderzoeksvoorstel... te doorgronden’ (blz. 131; het gaat over een voorstel voor effectonderzoek binnen de antroposofische geneeskunde) is praktisch alles wat er staat. Net als uit al zijn eerdere publicaties blijkt ook uit dit proefschrift weer dat Renckens helemaal niets begrijpt, vermoedelijk zelfs niets kan en/of wil begrijpen van de antroposofie. Hij is niet de enige; maar om over een onderwerp waarop je promoveert alleen in sarcastische bewoordingen te vertellen dat je het niet snapt is nooit eerder vertoond. Waarom vraagt Renckens zich niet af of het misschien niet ook een beetje aan hem zelf ligt dat hij er niets van begrijpt? Waarom hebben de beide promotoren Renckens niet, alvorens hem tot de promotie toe te laten, opgedragen eerst enig begrip te ontwikkelen voor het thema van zijn onderzoek? Afgezien van zijn onwetendheid inzake de antroposofie en de daarop geïnspireerde geneeskunde vallen bij zijn bespreking ervan nog twee andere bijzonderheden op die men zelden bij andere critici van de antroposofische geneeskunde aantreft. Bij herhaling (onder andere blz. 339, 373) verwijst Renckens naar ‘de racistische ideeën van Steiner’. De publieke discussie daarover, eind vorige eeuw door de Antroposofische Vereniging in Nederland gestart, en de conclusie daaruit dat het verwijt van racisme aan Steiner onterecht is, is Renckens kennelijk ontgaan. Uniek is Renckens in zijn bespreking van de zogenaamde ‘iatrosofie’. Dat is een waansysteem dat in de jaren tachtig bedacht is door ene Jan Pieter de Kok. Deze zou als kampioen-kwakzalver uit de bus komen als hij werd getaxeerd op relatief objectieve maatstaven, zoals inkomsten uit de praktijk, de mate waarin hij ongestoord zijn gang kan gaan, het aantal strafrechtelijke veroordelingen en de tijd in de gevangenis doorgebracht. Hij praktiseert thans nota bene in een monumentaal pand aan de Hoflaan 132 in Rotterdam waarover de Deelgemeente Kralingen-Crooswijk enige zeggenschap heeft. Het waansysteem van De Kok heeft niets te maken met de antroposofie; De Kok misbruikt slechts enkele flarden tekst van Steiner. Alleen omdat Renckens in gebreke blijft enige inhoudelijke analyse te geven kan hij de schijn wekken (blz. 330, 373 en elders) dat aan De Kok een prominente plaats zou toekomen in de antroposofische geneeskunde, maar dat is pure misleiding.
Ontroerend en letterlijk tragisch is het ‘slotwoord van de schrijver’ dat alleen in de handelseditie staat. ‘Over veel talent voor objectiviteit betreffende de beide onderwerpen van dit boek beschik ik... niet’, biecht hij op (blz. 443). Dat is nu eens wél een correcte weergave van de feitelijke stand van zaken. Hij is alleen onvolledig. Afgezien van deze ene autobiografische ontboezeming manifesteert Renckens in zijn proefschrift ook weinig talent voor zelfkennis. Als hij die wel had, zou hij een heel eenvoudig antwoord hebben gevonden op de vraag die hij in dit proefschrift stelt. Anders dan Renckens begrijpen en waarderen namelijk steeds meer mensen de antroposofie en de daarop geïnspireerde geneeskunde alsmede de serieuze varianten van de andere alternatieve geneeskunde wél; daarom zijn deze geneeswijzen zo populair. Om die conclusie te bereiken hoef je niet een proefschrift van bijna een half duizend bladzijden te schrijven.

Tekst Hugo S. Verbrugh

Cees Renckens, Dwaalwegen in de geneeskunde – over alternatieve geneeswijzen, modeziekten en kwakzalverij. Handelseditie (met een niet in de proefschrift-versie opgenomen ‘Slotwoord van de schrijver’), Bert Bakker, Amsterdam, 462 blz., € 39,90.

uit: Motief, Maandblad voor Antroposofie nr. 80, december 2004

Plaats een reactie ...

Reageer op "Een tragische figuur in de wetenschap. Cees Renckens op dwaalwegen. Prof. dr. Hugo Verbrugh schrijft scherpe reactie op promotie van antikwakker Cees Renckens in december nummer van Motief, tijdschrift van Antroposofische Vereniging"


Gerelateerde artikelen